‘Aantal proefdieren kan met 100.000 omlaag’

‘Je moet investeren in de kwaliteit van je proefdieronderzoek. Daarmee verhoog je zowel het welzijn van je proefdieren, als de betrouwbaarheid van je resultaten.’

door

Aldus Merel Ritskes-Hoitinga (45), de nieuwe Nijmeegse hoogleraar proefdierkunde. Ze heeft kritiek op de huidige gang van zaken in proefdierlaboratoria: te veel dierproeven zijn onbetrouwbaar omdat het voedsel van de dieren niet gestandaardiseerd is, de hoeveelheid voer te sterk wisselt, of omdat de beestjes onnodig leiden aan stress.

‘Op dit moment gebruiken we in Nederland 620.000 proefdieren. Dat aantal kan verder omlaag. Er is meer studie nodig om deze reductie precies aan te geven, maar op basis van schattingen denk ik dat we in de toekomst met ongeveer dertig procent minder knaagdieren toe kunnen. Dat zijn 100.000 dieren.’

‘Standaardvoer’

Nederland kent twee hoogleraren in de proefdierkunde, in Utrecht (Frauke Ohl) en in Nijmegen. De Radboud universiteit kende tot vorige jaar slechts een bijzonder hoogleraarschap. Ritskes bezet sinds 2005 een zogeheten profileringsleerstoel, daarmee kan ze een eigen groep opzetten. Ook is ze directeur van het Centraal Dierenlaboratorium.

Vandaag spreekt Ritskes haar oratie uit. Wijs geworden door ervaringen in vorige betrekkingen in Japan en Denemarken, zal ze hameren op standaardisatie.

‘Bij mijn vorige baan, in het proefdierlab van Odense, is me gebleken dat “standaardvoer” helemaal niet standaard is. Bij een rattenstudie naar botontkalking bleek dat het ene merk 500 maal meer fyto-oestrogenen (hormoon-nabootsende stoffen) bevatte, dan het andere merk. In die studie bepaalde dat de uitkomst van de proef.’

Ettertjes

De hoeveelheid voer kan eveneens de uitkomst van een experiment beïnvloeden. ‘Onbeperkt voeren van knaagdieren leidt tot overmatige vetafzetting, degeneratieve afwijkingen in hart en nieren, een grotere kans op kanker en verkorte levensduur. Het zou dus beter zijn over te stappen op beperkt voeren. Echter, bij dieren die in groepen zijn gehuisvest treedt dan nog een grotere variatie op dan bij onbeperkt voeren: er zijn ettertjes die andere beesten niks gunnen.’

Individueel huisvesten lost dit probleem niet op, dat schaadt het welzijn van sociale dieren. Ritskes kijkt daarom naar de veeteelt. ‘In de landbouwsector bestaan voersystemen voor groepsgehuisveste dieren. Varkens zijn bijvoorbeeld voorzien van een chip die door de voermachine wordt herkend: elk dier krijgt zijn individuele portie. In Odense zijn we bezig met een computergestuurd systeem voor groepsgehuisveste ratten, ze krijgen een onderhuidse chip in de nek.’ Ritskes kent talloze voorbeelden waarbij voeding, stress of rangorde in de groep de resultaten vertroebelden. ‘Om onnodige dierproeven te voorkomen, moeten we die kennis optimaal benutten. Ik wil in de literatuur gaan snuffelen naar meer van dit soort mankementen. Het bundelen van die kennis kan meer onnodige dierproeven voorkomen.’

‘In de medische wetenschap zijn deze meta-analyses heel gebruikelijk, de Cochrane database is daarvan de bekendste. Ik wil met mijn vakgroep een service-instituut vormen dat permanent meta-analyses van proefdierstudies uitvoert. Daarmee kunnen we biomedisch onderzoekers die bij ons aankloppen beter adviseren.’

Zen-meditatie

Ritskes is bijna tien jaar uit Nederland weggeweest. ‘Het valt me op dat de standpunten verhard zijn. Onderzoekers en activisten gaan minder met elkaar in discussie. Dat vind ik heel jammer. In Denemarken is bijvoorbeeld ook de verbetering van de huisvesting van een farmaceutisch bedrijf, dat hiertoe samenwerkte met de dierenbescherming, in de media gekomen. Dat zie ik hier nu niet snel gebeuren.’

De titel van haar welkomstrede luidt: ‘Heeft een rat Boeddha-natuur?’ Die Boeddha-natuur verwijst naar zen-meditatie, haar stokpaardje. Ritskes heeft zelfs een boek geschreven over het bereiken van een gelukzalige toestand door intensieve meditatie. Gaat dat wel samen, zen en wetenschap?

‘Nou, zen past in ieder geval wel bij de wetenschapper Merel Ritskes. Om te komen tot nieuwe inzichten in mijn onderzoek gebruik ik vaak de methode van de koan, dat is een vraag die de zenmeester aan zijn leerlingen opgeeft ter meditatie. Zingevingsvragen horen bij zen en bij de wetenschap, zeker als het gaat om proefdieren.’