‘Eén groot bordeel’ was de Aardewerkfabriek van Regout in Maastricht. Jonge arbeidsters bleken seks te hebben met hun bazen en opzichters. Dat schreef de socialistische krant Recht voor Allen in 1890. In een tijd waarin er nog nauwelijks voorbehoedsmiddelen waren, kwamen ongewenste zwangerschappen vaak voor. In 1898 signaleerde de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid dat werkende meisjes ‘zich aan de ergste dingen overgaven… Eén meisje is ongehuwd drie maal bevallen.’
Seks buiten het huwelijk was een absolute schande. Vooral voor de vrouw dan, de mannen ontsprongen de dans. Deze ‘verwildering der zeden’ zou volgens het Kamerlid Van Dorp in 1910 bestreden kunnen worden met een verbod op fabrieksarbeid voor jonge meisjes. Bovendien zouden ze dan de tijd hebben om zich voor te bereiden op hun echte bestemming: de zorg voor het huishouden en het gezin. Over de financiële gevolgen voor de vrouwen repte hij niet.
Sommige ondernemers wachtten niet totdat de wet hen voorschreef wat te doen. Eind negentiende eeuw legde een sigarenfabrikant aan een onderzoeker uit waarom hij de meisjes in zijn fabriek had ontslagen. De al te innige samenwerking tussen mannelijke en vrouwelijke sigarenmakers had geleid tot bastaardkinderen. ‘De prikkel kwam nogal vlug. En ik vond het niet nodig om behalve mijne fabriek er nog eene fabriek van iets anders op na te houden.’