Ik had laatst afgesproken met een Amerikaanse in het centrum van Den Haag. Ze woont op een plek buiten de stad waar je de Nieuwe Haagse Toren, die vlakbij het centrum staat, met kop en schouders boven de andere gebouwen ziet uitsteken. Daar valt makkelijk op te oriënteren dus. Daarom ik stelde voor om daar af te spreken.
Dat ging helemaal fout: ze verdwaalde hopeloos en deed veertig minuten over een fietstocht die nog geen tien minuten had mogen duren. Wat ging er mis? Volgens nieuw onderzoek deed ik iets typisch Nederlands door de route uit te leggen met enkele herkenningspunten, zoals de toren.
Zij deed iets typisch Amerikaans: in plaats van zich te concentreren op de altijd zichtbare toren, leerde ze de route van de kaart als vanuit een vogelperspectief uit haar hoofd. Althans, dat probeerde ze. Nederlandse straten zijn grilliger gevormd en daarom moeilijker te onthouden dan Amerikaanse. En van de straatnamen valt eigenlijk niet veel kaas te maken: ze bleken veel te ingewikkeld voor een niet-Nederlander. Na twee minuten fietsen, vertelde ze later, was ze de kluts al helemaal kwijt.
Boven het Amerikaanse stadje, onder de Nederlandse. Afgezien van de taal zijn ze identiek. Journal of Environmental Psychology
Mini-stadje
Dat verschil in Nederlands en Amerikaans navigatiedenken is nu voor het eerst onderzocht door psychologen van de University of Illinois en Universiteit Twente. Ze lieten 131 Amerikaanse en 50 Nederlandse studenten de structuur van een tafelgroot miniatuurstadje bestuderen. Daarna moesten ze routebeschrijvingen aan fictieve vreemdelingen uitleggen. De wetenschappers hielden bij in welke termen ze spraken en beschrijven hun vondsten in een online publicatie van het blad Journal of Environmental Psychology.
De meest opvallende vondst is dat Amerikanen vaker routes beschrijven alsof ze boven het landschap zweven, op een kaart kijkend. Zij geven vaker afstandsinschattingen en hanteren in hun beschrijving meestal windrichtingen, zoals oost, zuid, noord of west. Nederlanders daarentegen noemen windrichtingen maar liefst tien tot veertien keer minder vaak. In plaats daarvan verplaatsen ze zich vaker in de ogen van de reiziger terwijl deze zich door de straten voortbeweegt. Ze denken daardoor sneller aan herkenningspunten en links-rechts-bewoordingen. Zoals: ‘Ga bij de molen linksaf.’
Kronkelende stad of kaarsrechte wegen
Eerder onderzoek wees al uit dat in het algemeen mensen in westerse culturen relatief vaak afstanden en straatnamen noemen, terwijl mensen in niet-westerse culturen gewend zijn om routes haast puur in termen van herkenningspunten en links-rechts-termen aan anderen uit te leggen. Dat verschil is logisch: in de meeste ontwikkelingslanden ontbreken straatnamen of huisnummers, terwijl we in westerse landen al ruim een eeuw enigszins gestructureerde plattegronden gewend zijn.
Dat er echter een vergelijkbaar maar subtieler verschil bestaat tussen twee westerse culturen is nu pas voor het eerst aangetoond. De oorzaak zit hem, net als bij ontwikkelingslanden, waarschijnlijk in de omgeving waarin we opgroeien. In Amerika zijn de steden meestal als een kaarsrecht rooster gebouwd met genummerde wegen, waarbij het noemen van windrichtingen en afstanden in nummers handiger van pas komen. In een land als Nederland liggen de wegen chaotischer ten opzichte van elkaar en zijn ze niet genummerd, waardoor het juist handiger is om in herkenningspunten te blijven denken.
Links de typisch Amerikaanse roosterstructuur van steden, rechts de chaos van Nederland. De wegen zijn genummerd en hebben geen ingewikkelde namen. Rechts Den Haag. Google Maps
Flexibele woorden
Dat er daarom verschillen tussen Amerikanen en Nederlanders in navigatiebeschrijvingen bestaan, betekent echter niet dat deze rotsvast en onveranderlijk zijn. De wetenschappers ontdekten namelijk dat de uitleg varieert afhankelijk van tegen wie we denken te praten. Alle proefpersonen neigden vaker herkenningspunten te noemen als de onderzoekers hen vertelden dat ze een route aan een verdwaalde automobilist moesten uitleggen, iets wat ook wel het routeperspectief werd genoemd.
De man als navigatieheld?
In 1994 ontdekte de vrouwelijke wetenschapper Carol Lawton dat mannen beter waren in navigeren dan vrouwen. Als ze een route beschrijven, doen ze dat vaker op de Amerikaanse manier: dus met precieze afstanden en windrichtingen. Slechter navigeren en vaak herkenningspunten gebruiken is daarentegen typisch vrouwelijk. Inmiddels blijkt dat vrouwen vooral anders dan mannen presteren in navigatie-experimenten omdat ze denken dat ze slecht zijn. Zodra je die druk wegneemt met een korte training bijvoorbeeld, navigeren en spreken dames op dezelfde manier als heren.
Daarnaast bleken zowel Nederlanders als Amerikanen vaker windrichtingen te gebruiken in hun beschrijvingen als de onderzoekers stiekem in de opdracht de woorden ‘oost’, ‘west’, ‘noord’ of ‘zuid’ verstopten en vroegen om de weg vanuit een vogelperspectief te beschrijven – de Amerikaanse manier dus.
De meeste proefpersonen gingen daardoor vaker de windrichtingen noemen. Maar niet iedereen lukte dat. “Er waren een aantal Nederlandse deelnemers die gefrustreerd raakten door de switch van het routeperspectief naar het vogelperspectief”, schrijven de wetenschappers. “Ze realiseerden zich dat er misschien een handigere manier bestond om de weg op de kaart te beschrijven, maar kwamen niet op het idee om links-rechts-aanduidingen te vervangen met de windrichtingen.”
Het ontbreken van windrichtingen in het vocabulaire van een navigerende Nederlander onthult volgens de wetenschappers interessante psychologische effecten die iets over de werking van ons geheugen zeggen.
Uit eerder onderzoek blijkt namelijk dat Nederlanders die naar routebeschrijvingen luisteren, ze die beter onthouden wanneer er windrichtingen worden genoemd. Wellicht komt dat, zo speculeren de psychologen, doordat Nederlanders bij het horen van windrichtingen alerter moeten nadenken om te begrijpen wat ze horen (‘noord is naar boven, west is naar links’, enzovoorts). Ze doen daardoor iets bijzonders. Ze horen één route, maar slaan deze op twee manieren in hun geheugen op. Als je deze dan later moet herinneren, heb je twee manieren om de herinnering op te halen en dus meer kans om dat voor elkaar te krijgen.
Bronnen
- Alycia M. Hund e.a., The impact of culture and recipient perspective on direction giving in the service of wayfinding, Journal of Environmental Psychology, Vol. 32 (december 2012)
- Carol Lawton, Gender differences in way-finding strategies: Relationship to spatial ability and spatial anxiety, Sex Roles (1994)
- Laura Piccardi e.a., Sex differences in a landmark environmental re-orientation task only during the learning phase, Neuroscience Letters (augustus 2011)
- Matthijs Noordzijl en A. Postma, Categorical and metric distance information in mental representations derived from route and survey descriptions, Psychological research (2004)
Zie ook:
- Geheugen is eenrichtingsverkeer (Kennislink)
- Ons geheugen is geen dvd-recorder (Kennislink)
- Wiskunde geeft richting aan processen TomTom (Kennislink)
- Tweestrijd in het geheugen (Kennislink)
- Waarom we viruteel eerder verdwalen (Wetenschap24)
- Navigeren met vier ogen (Wetenschap24)