Broeikaseffect

Diverse gassen die dankzij menselijke activiteit in de lucht terechtkomen, zorgen voor een opwarming van de atmosfeer. Die opwarming zal waarschijnlijk leiden tot een klimaatsverandering.

Dat de Aarde opwarmt door de zich in de atmosfeer ophopende broeikasgassen blijkt ondermeer uit de lengte van gletsjers. Sinds 1855 reiken de gletsjers in de Alpen steeds minder diep hun dalen in, wat aangeeft dat er minder sneeuw valt en er meer ijs smelt. In hoeverre het klimaat verandert ten gevolge van de opwarming is voor klimatologen echter nog niet duidelijk.

Hoge temperaturen

Om aan te geven hoe de toekomst eruit zal zien, verwijzen veel onderzoekers naar de zomer van 1988 in Noord-Amerika: drie maanden van brandende droogte en recordtemperaturen. In de Great Plains verdroogden de gewassen en vielen meren droog, terwijl de drinkwatervoorraden in de steden tot een zorgwekkend laag niveau slonken. Onderzoekers aan het instituut voor klimaatonderzoek in het Britse Norwich wezen erop, dat 1988 niet het eerste jaar van dit decennium was waarin ongekend hoge temperaturen voorkwamen: ook 1980, 1981, 1983, 1986 en 1987 behoren tot de warmste jaren van de eeuw.

Anderen waren op grond van wetenschappelijk onderzoek een heel andere mening toegedaan en betoogden dat, hoewel de jaren tachtig inderdaad ongekend warm waren geweest, het meteorologische heden en verleden niet onomstotelijk bewijzen dat de hogere temperaturen te wijten zijn aan een versterking van het broeikaseffect door de mens. Volgens hen valt het schijnbaar abnormale weer van de laatste tien jaar binnen het bereik van eerdere klimaatschommelingen – zoals de hittegolf in de jaren dertig of de betrekkelijk koele zomers in de jaren veertig. Het meest betreurenswaardige van dit gekissebis was, dat het punt waar de meeste klimatologen het over eens zijn, erdoor op de achtergrond raakte: de opwarming van de Aarde door de toenemende invloed van de mens op de atmosfeer is absoluut een feit. Men is het er alleen niet over eens wanneer, hoeveel en waar het klimaat zal veranderen en wat het effect daarvan zal zijn op het leven op Aarde.

Er is maar één groot probleem bij het voorspellen van het weer in de toekomst en dat is de complexiteit van het klimaat. Zelfs in de meest doorwrochte computermodellen kan men onmogelijk rekening houden met alle elementen – oceanen, landmassa’s, vegetatie, vervuilende stoffen – die het weer op een bepaald tijdstip en op een bepaalde plaats op Aarde bepalen. Bovendien is het moeilijk om alleen op grond van modellen onderscheid te maken tussen tendenzen in het wereldklimaat die het gevolg zijn van menselijke activiteit, en de grootschalige natuurlijke cycli, waarover weinig bekend is. Met de wiskundige vergelijkingen waarop de computermodellen gebaseerd zijn, valt onmogelijk met zekerheid te voorspellen hoe de opwarming van de Aarde, wanneer die eenmaal begonnen is, alle andere aspecten van het klimaat zal beïnvloeden. En evenmin is dat mogelijk op grond van de beschikbare meteorologische gegevens. Wordt een deel van de extra warmte misschien geabsorbeerd door de oceanen? Leiden hogere temperaturen tot een dichter wolkendek dat de planeet zou kunnen afkoelen? Totdat we dergelijke vragen kunnen beantwoorden moeten we aanvaarden dat we niet zeker weten hoe het klimaat er in de toekomst uit zal zien.

Broei door atmosferische molekulen

De motor van het weer op Aarde is de Zon. Afhankelijk van veranderingen in de schuine stand van de as van de Aarde en haar positie tijdens de verschillende seizoenen, raken de stralen van de Zon de verschillende delen van de Aarde onder verschillende hoeken. Tropische streken krijgen in het algemeen het zonlicht meer van boven dan de beide polen, die zo scheef worden beschenen dat zich daar massieve ijskappen hebben gevormd. Tijdens de dagelijkse omwenteling van de Aarde, warmt de Zon de lucht en het water op, waardoor wind en oceaanstromingen ontstaan. Ook verdampt er voortdurend water waaruit zich wolken vormen die het land beschermen tegen al te felle zonnestraling.

Door de hoge temperatuur aan het oppervlak van de Zon (ongeveer 4000ºC) wordt daar kortgolvige energie opgewekt, voor het merendeel in de vorm van zichtbaar licht en ultraviolette straling. Beide soorten straling dringen gemakkelijk door de gasvormige laag die de atmosfeer van de Aarde vormt. Wanneer deze kortgolvige straling het aardoppervlak bereikt, wordt de energie geabsorbeerd door stenen, bodem en water. Bij afkoeling daarvan komt deze energie weer vrij in de vorm van infrarode straling ofwel warmtestraling. De gassen in de atmosfeer kunnen de energie van deze straling, waarvan de golflengte veel groter is dan van het zichtbare licht, echter goed absorberen. De gassen zenden vervolgens de geabsorbeerde energie in alle richtingen uit – voor een groot deel terug naar het aardoppervlak. De atmosfeer houdt dus, net als een broeikas, de temperatuur op Aarde min of meer constant door te voorkomen dat er te veel warmte ontsnapt naar de ruimte.

In de 19de eeuw ontwikkelden onderzoekers de opvatting dat de opvallende eigenschap van de Aarde om zonnewarmte vast te houden wordt bepaald door de samenstelling van haar atmosfeer. De atmosfeer bestaat echter voor driekwart uit stikstof en voor een vijfde uit zuurstof en geen van beide absorberen erg veel warmte. Later, omstreeks de eeuwwisseling, onderzocht de Zweedse chemicus en Nobelprijswinnaar Svante Arrhenius zowel de warmte-absorptie van de Aarde als de energieproduktie van de Zon en hij ontdekte dat kleine hoeveelheden van twee andere gassen, koolstofdioxyde en waterdamp, voldoende warmte konden vasthouden om de temperatuur van de Aarde op peil te houden.

Hij begreep dat het geheim van de atmosferische deken school in zijn molekulaire samenstelling. Atomen van verschillende gassen trillen en wervelen op een verschillend energieniveau wanneer zij worden gebombardeerd door de warmtestraling die het aardoppervlak uitzendt. Zo is de hoeveelheid koolstofdioxyde verantwoordelijk voor het verschil tussen de gloeiende temperatuur op Venus, die door een dikke laag van dit gas wordt omringd, en het bevroren oppervlak van Mars, waar vrijwel geen koolstofdioxyde voorkomt. Een handvol andere gassen – methaan, CFK’s (chloorfluorkoolwaterstoffen), en stikstofoxyden -houden eveneens veel warmte vast en dragen dus bij aan het broeikaseffect, hoewel ze, net als koolstofdioxyde, in minuscule hoeveelheden in de atmosfeer voorkomen.

Koolstofdioxyde

Op basis van metingen aan luchtbellen in ijsmonsters afkomstig van het Russische station Vostok in Antarctica zijn zowel het verloop van temperatuur (rood) als koolstofdioxydegehalte (blauw) van de atmosfeer gereconstrueerd. Hogere CO2-gehalten gaan gepaard met hogere temperaturen. De laatste jaren neemt de hoeveelheid CO2 zeer sterk toe blijkens metingen op Hawaii (paars).

Arrhenius was een van de eersten die inzag dat er als gevolg van menselijke activiteit aanzienlijke hoeveelheden koolstofdioxyde de atmosfeer werden ingeblazen. De eerste belangrijke bron van koolstofdioxyde was de steenkooloven, die de aanzet voor de industriële revolutie vormde. Tegenwoordig stoten op olie en benzine draaiende fabrieken, locomotieven, vrachtwagens, auto’s en elektriciteitscentrales samen meer dan vijf miljard ton koolstofdioxyde per jaar uit. De inwoners van de geïndustrialiseerde wereld zijn verantwoordelijk voor meer dan de helft van de menselijke produktie aan koolstofdioxyde; minder ontwikkelde landen zoals China zijn eveneens begonnen grote hoeveelheden koolstofdioxyde te produceren. En behalve de uitstoot, afkomstig uit de steden, komt er nog ongeveer een miljard ton koolstofdioxyde vrij in de atmosfeer door het afbranden van tropisch regenwoud dat met een snelheid van ongeveer 100.000 vierkante kilometer per jaar wordt vernietigd: hout is net als kolen en gas een rijke koolstofdioxydebron.

De wetenschappelijke wereld hield zich niet bezig met het koolstofdioxyde-probleem totdat zij geconfronteerd werd met nauwkeurige metingen van de concentratie van dit gas in de atmosfeer. In 1958 richtte de chemicus Charles D. Keeling een meetstation in op de helling van de Mauna Loa, een vulkaan op het ongerepte eiland Hawaii in de Stille Oceaan. Hier konden de gegevens niet worden beïnvloed door lokale luchtverontreiniging. In de dertig jaar waarin hij meetgegevens verzamelde, steeg de concentratie van koolstofdioxyde in de atmosfeer van 315 tot 348 ppm (parts per million).

Klimatologen hebben Keelings gegevens gebruikt voor extrapolaties naar het verleden en schatten op grond daarvan dat de concentratie van koolstofdioxyde in het pre-industriële tijdperk slechts 280 ppm bedroeg. Dat cijfer is bevestigd door onderzoek van ijsmonsters, afkomstig uit gletsjers op Groenland en Antarctica, waar oude luchtbellen, bevroren onder sneeuwlagen van duizenden jaren oud, exact dezelfde concentratie bleken te bevatten. De cijfers laten zien dat de concentratie koolstofdioxyde in de atmosfeer alleen al in de laatste honderd jaar met 25% is gestegen. Afgaand op de hele reeks metingen en ervan uitgaand dat de industrie over de hele wereld even snel zal blijven groeien, voorspellen de meeste chemici die zich bezighouden met de atmosfeer, dat de hoeveelheid koolstofdioxyde halverwege de volgende eeuw ongeveer verdubbeld zal zijn en 600 ppm zal bedragen.

Methaan en CFK’s

Koolstofdioxyde is niet de enige vorm van luchtvervuiling die de temperatuurhuishouding van de Aarde dreigt te veranderen. Even onheilspellend is de onlangs ontdekte ophoping van methaan, een gas dat per molekuul twintig keer zoveel warmte absorbeert als koolstofdioxyde. Methaan komt van nature vrij in moerassen en venen tijdens de afbraak van organisch materiaal door bacteriën. Ook bacteriën in de maag van herkauwers zoals runderen en schapen, produceren methaan – tot ongeveer 200 gram per dag per dier – tijdens de vertering van cellulose.

De laatste tijd steekt de mens de natuurlijke produktie echter naar de kroon. zoals is ontdekt na metingen van methaanconcentraties, waar men in de tweede helft van de jaren zeventig mee begon. Uit dit onderzoek blijkt dat de atmosferische concentratie van dit gas ieder jaar met één procent toeneemt.

Gegevens uit ijsmonsters tonen bovendien aan, dat de methaanconcentratie driehonderd procent hoger is dan twee eeuwen geleden. Een deel van deze toename kan geweten worden aan het in cultuur brengen, vooral in Oost- Azië en India, van meer dan 1.500.000 vierkante kilometer rijstvelden, waarop dikwijls twee oogsten per jaar worden binnengehaald in gebieden waar voorheen slechts een oogst mogelijk was. Behalve uit de drassige sawa’s, ontwijkt er methaan naar de atmosfeer uit de groeiende rijstplanten. Dit komt doordat methaan uit de bodem via de wortels van rijstplanten naar hun luchtkanalen diffundeert en daarlangs ontsnapt. Het fokken van grote kudden vee (boeren over de hele wereld houden er nu zo’n 1,5 miljard stuks vee op na) heeft ook bijgedragen aan de methaanvervuiling. Volgens recente schattingen zou de wereldproduktie aan methaan maar liefst 600 miljoen ton per jaar bedragen, genoeg om de concentratie van dat gas in de atmosfeer in de komende 100 jaar te verdubbelen En men is nog maar pas begonnen met uitzoeken hoeveel methaan er vrij zou komen na de eerste golf van de opwarming van de Aarde, als het organische materiaal in de arctische toendra’s ontdooit en wordt afgebroken.

Alsof koolstofdioxyde en methaan al niet genoeg zijn om de warmtebalans van de Aarde te verstoren, heeft de mens ook nog CFK’s geproduceerd, een groep verbindingen die op grote schaal wordt gebruikt in plastics, industriële processen, koelkasten en luchtverversingsinstallaties. Pas sinds kort zijn CFK’s in spuitbussen verboden. Ieder CFK-molekuul kan tien- tot twintigduizend keer meer warmte absorberen dan een molekuul koolstofdioxyde, en de concentratie CFK’s in de atmosfeer neemt jaarlijks met elf procent toe. Over deze rampzalige ontwikkeling zijn de onderzoekers die het broeikaseffect bestuderen, het eens, evenals over de stijgende concentraties van koolstofdioxyde en methaan. De vraag is alleen, welke gevolgen het broeikaseffect precies zal hebben.

Klimaatmodellen

De moeilijkheid om een klimaatverandering adequaat in te schatten blijkt wel uit het groeiende verschil tussen het voorspelde en het werkelijke weer wanneer de voorspelling stoelt op licht afwijkende gegevens. Als kenmerk dient de hoogte waar een luchtdruk van 300 millibar heerst. Gekleurde omtrekken markeren de gebieden waar die luchtdruk zich op geringere hoogten voordoet dan voorspeld, zwarte waar die luchtlaag in feite hoger ligt. De getallen geven het hoogteverschil in meters weer.

Het klimaat op Aarde is van nature heel variabel en die wisselvalligheid kan gemakkelijk worden verward met veranderingen die het gevolg zijn van menselijke activiteit. Temperatuur, vochtigheid en alle andere facetten van het weer veranderen voortdurend als gevolg van schijnbaar verwaarloosbaar kleine verschuivingen in de baan en de schuine stand van de Aarde. Andere fluctuaties zijn het gevolg van verschillende geologische processen: grote wolken vulkanische as kunnen de Zon afschermen, door oprijzende bergketens kunnen heersende winden wegvallen en ijsmassa’s kunnen zonlicht weerkaatsen, waardoor de planeet afkoelt. Zoals uit fossielen van temperatuurgevoelige micro-organismen blijkt, kunnen zulke cycli duizenden jaren, maar evengoed miljoenen jaren duren. Het blijkt buitengewoon moeilijk om onderscheid te maken tussen natuurlijke fluctuaties en door de mens veroorzaakte schommelingen.

Zelfs bij schattingen van de veranderingen in het klimaat van de laatste honderd jaar,waarvoor men over een schat aan weersgegevens beschikt, moeten onderzoekers een behoorlijke mate van onduidelijkheid op de koop toenemen, omdat deze gegevens voor het merendeel niet exact genoeg zijn om lange-termijn klimaatveranderingen te voorspellen. Voor het onderzoek naar het broeikaseffect, waarbij een verandering van enkele graden per eeuw als bewijs voor een mondiale tendens wordt beschouwd, is de nauwkeurigheid van metingen van het allergrootste belang, maar niet alle metingen zijn met wetenschappelijke precisie uitgevoerd.

Als gevolg van het onvolledige karakter van de gegevens uit het verleden, kan men niet bepalen in hoeverre opwarming precies is toe te schrijven aan het verhoogde koolstofdioxydegehalte in de atmosfeer. In plaats daarvan hebben onderzoekers geprobeerd om het klimaat te voorspellen op grond van elementaire wetmatigheden – met computermodellen waarvan de vergelijkingen gebaseerd zijn op natuurkundige wetten die oceaan- en luchtstromingen reguleren. In tegenstelling tot weermodellen, die van duizenden feiten afhangen maar alleen voor een beperkt gebied – en dan nog slechts enkele dagen vooruit – iets kunnen voorspellen, maken klimaatmodellen gebruik van een paar feiten die het klimaat bepalen (zoals de concentratie van koolstofdioxyde, of de hoek van de Zon) om voorspellingen op lange termijn en voor grote gebieden te doen. Met supercomputers die honderden miljoenen berekeningen per seconde maken, zijn de mondiale ontwikkelingen voor de eerstvolgende decennia te voorspellen. Met behulp van vijf klimaatmodellen, waaronder dat van het National Centre for Atmospheric Research, heeft men geprobeerd om te voorspellen wat er zal gebeuren als, zoals men verwacht, de hoeveelheid koolstofdioxyde in de atmosfeer van de Aarde tegen het jaar 2050 verdubbeld zal zijn. Volgens alle vijf de modellen zullen de temperaturen twee tot zes graden Celsius stijgen. De tendens tot opwarming zal niet overal op Aarde even groot zijn; de grootste verandering zal naar verwachting optreden op de hogere breedtegraden, waar de toegenomen warmte de bovenste lagen van de ijskap zal doen smelten. Wanneer die eenmaal beginnen te ontdooien, zou de zeespiegel enigszins stijgen, voldoende om ervoor te zorgen dat de west-Antarctische ijskap losraakt.Als die reusachtige gletsjer verder ontdooit en het oceaanwater uitzet (bij hogere temperaturen neemt de dichtheid af) zou de zeespiegel in enkele tientallen jaren zo’n 4,5 meter of meer kunnen stijgen. Belangrijke kuststeden als New York, Los Angeles, Londen, Venetië, Shanghai, Antwerpen en Rotterdam zouden tenslotte onder water kunnen verdwijnen.

De modellen laten zien dat de waterkringloop, de voortdurende verdamping en neerslag van water, waarschijnlijk bijzonder gevoelig is voor mondiale opwarming. Men verwacht dat er zeven tot vijftien procent meer sneeuw en regen zal vallen en tegelijk met de hoeveelheid neerslag ook de verdeling ervan zal veranderen. De grootste toename vindt waarschijnlijk in de tropen plaats, in het bijzonder boven de oceanen rond de evenaar en aan de naar de polen gekeerde kant van de huidige regenzones op gemiddelde geografische breedte. Canada en Siberië zouden ongekend warm en vochtig, het Amerikaanse midden-westen waarschijnlijk droger worden. Zelfs klimatologen die de opvattingen van de Amerikaanse natuurkundige J. Hansen over het optreden van de mondiale opwarming bestrijden, zijn het erover eens dat de zomer van 1988 op zijn minst een generale repetitie vormde. Hansen bestudeerde als medewerker van de NASA de C02-rijke atmosfeer van Venus en is een fanatiek aanhanger van de theorie dat de toename van koolstofdioxyde in de atmosfeer een bedreiging voor de mensheid vormt.

Terugkoppeling

Toch moeten we bij het beschouwen van deze dramatische scenario’s voorzichtig zijn: de modellen zijn niet volledig betrouwbaar. Een probleem is dat het systeem Aarde in zijn totaliteit te complex is om gereduceerd te worden tot een paar wiskundige vergelijkingen, hoe zorgvuldig die ook zijn opgesteld. Hoewel iedere wolk, bergketen, fabriek en luchtstroming het weer kan beïnvloeden, kunnen de meeste van zulke factoren niet verwerkt worden in een model en nog veel minder door een computer met een beperkt vermogen worden berekend. Elk van de ongeveer 2000 sectoren waarin klimatologen de wereld hebben verdeeld is ongeveer vijf keer zo groot als Nederland, maar wordt desondanks door een klein aantal variabelen – temperatuur, vochtigheid, atmosferische druk en dergelijke -weergegeven. De modellen weerspiegelen dus niet de werkelijke, lokale weersgesteldheid.

Het lijkt al een te zware opgave om in de modellen de vele aspecten van het huidige klimaat, die het weer in de voor ons liggende jaren kunnen beïnvloeden, te verdisconteren. Maar zelfs als dit zou lukken dan zou het nog steeds moeilijk zijn om rekening te houden met de terugkoppelingseffecten van de klimaatveranderingen zelf, dat wil zeggen met de manier waarop afzonderlijke facetten van mondiale opwarming de algehele trend kunnen gaan beïnvloeden. Sommige effecten van die terugkoppeling zullen de opwarming versnellen. Als broeikasgassen een grotere rol spelen bij het smelten van de ijskappen bijvoorbeeld en de oceanen stijgen, nemen de hoeveelheden ijs en sneeuw, die de warmte terugkaatsen, af,waardoor de hele planeet warmer zal worden dan men op grond van de ophoping van broeikasgassen alleen voorspelt. Anderszijds zullen de zeeën door absorptie van koolstofdioxyde misschien de snelheid waarmee het gas zich in de atmosfeer ophoopt, verlagen. Het gas lost immers op in water en algen, plankton en andere micro-organismen gebruiken het bij hun fotosynthese. Diepe oceaanstromingen die grote hoeveelheden warmte (afkomstig van zonlicht) transporteren, vormen misschien een andere factor in de voorspellingen. Doordat ze zich over de wereld verplaatsen, zouden ze de klimaatverandering snel van het ene gebied naar het andere kunnen overbrengen.

Door het stijgen van de temperatuur op Aarde zou ook het wolkendek, dat al zestig procent van het aardoppervlak als een deken bedekt, dikker kunnen worden, omdat er bij warm weer meer water verdampt. Maar wegens het ontbreken van gedetailleerde informatie over de aard en de mate van de bewolking, valt er te twisten over de rol die deze factor speelt binnen het grotere wiskundige kader van de opwarming. Het is tot nog toe zelfs onmogelijk gebleken om in computermodellen tegelijkertijd onze kennis van de terugkoppelingseffecten, het wolkendek (dat zich van uur tot uur vormt en weer oplost), de plantengroei(waarvan aard en hoeveelheid in de loop van seizoenen en decennia veranderen) en de oceanen (waarin veranderingen duizenden jaren kunnen vergen) te verwerken.

Bij de enorme hoeveelheid gegevens over het weer op Aarde en de talrijke onzekerheden over de manier waarop de opwarming van de Aarde zal plaatsvinden, kunnen klimatologen slechts hun best doen om het klimaatsysteem zodanig te vereenvoudigen dat het de werkelijke verandering enigszins benadert. Natuurlijk zouden ze graag willen weten hoe betrouwbaar hun modellen zijn, maar de enige perioden waarin een vergelijkbare klimaatverandering is opgetreden, liggen in een zeer ver verleden waarvan geen volledige gegevens bekend zijn. Men kan in een model de omstandigheden die vermoedelijk in die tijd heersten, inbouwen en dan kijken of het model een realistische verandering in de temperaturen op Aarde geeft.Maar betrouwbare meteorologische informatie uit het verleden is beperkt en maar weinig voorspellingen laten zich verifiëren.

Preventie

Met de onzekerheid in wetenschappelijke kringen over de mate van opwarming van de Aarde gaat een hoge mate van politieke besluiteloosheid gepaard. Die besluiteloosheid komt voor een deel voort uit bezorgdheid over de kosten die beheersing van de produktie van broeikasgassen met zich meebrengt, en gedeeltelijk uit de wetenschappelijke verdeeldheid zelf.

Alle voorgestelde maatregelen, van het installeren van katalysatoren in auto’s, het stopzetten van de vernietiging van het regenwoud,het inperken van de CFK-produktie en het ontwikkelen van alternatieve energiebronnen, zouden beslist de uitstoot van broeikasgassen verminderen. Deze maatregelen zullen echter duur zijn en drastische veranderingen vereisen van de manier waarop miljarden mensen leven en werken. Dus zal het op zijn zachtst gezegd moeilijk zijn, om alle landen ervan te overtuigen dat het verstandig is om zulke veranderingen door te voeren.

Het is naïef om te denken dat Derde Wereldlanden, met hun snel groeiende bevolking, in zouden stemmen met een vermindering van de op koolstof gebaseerde energiebronnen en methaan gebonden voedselbronnen, zonder de toezegging dat er andere hulpbronnen beschikbaar zullen komen. Daarenboven staan ondanks hun materiële voorsprong de drie grootste producenten van broeikasgassen, de Verenigde Staten, de Sovjetunie en West-Europa, niet te trappelen om hun eigen economieën in zekere mate af te remmen. En sommige noordelijke landen, zoals Canada en de Sovjetunie, zijn misschien wel gebaat bij een klimaatverandering die hen mildere temperaturen en meer regenval belooft. Politici rechtvaardigen hun aarzeling bovendien door te stellen dat wetenschappelijke onderzoekers het zelf oneens schijnen te zijn over de verwachte opwarming van de Aarde. Maar daaruit blijkt dat ze niet begrijpen waar het om gaat. Er zijn maar weinig klimatologen die bestrijden dat de miljarden tonnen koolstofdioxyde, methaan en CFK’s die ieder jaar in de atmosfeer terechtkomen, uiteindelijk tot een warmer klimaat zullen leiden. Tegen de tijd dat de wetenschap een volledig beeld heeft – wanneer modellen en gegevens zozeer verfijnd zijn dat we precies weten waar en hoeveel het klimaat zal veranderen -is het misschien te laat om een wereldwijde ramp te voorkomen, in het bijzonder wanneer de stijging van de zeespiegel zich doorzet.

Het nu uitstellen van maatregelen zou wel eens de allerduurste beslissing kunnen betekenen. We houden er ook geen brandweer op na omdat we zeker weten dat er brand komt, maar omdat er een redelijk grote kans bestaat op brand. Ondanks het feit dat we niet precies kunnen schatten hoe sterk een virus zich zal verbreiden als we het zijn gang laten gaan, vaccineren we grote delen van de bevolking.Waarom zouden we het broeikaseffect anders benaderen, terwijl dat niet alleen gebouwen of mensen bedreigt, maar onze hele planeet?

Bronnen

Okken PA. Is het broeikaseffect te vermijden? Natuur en Techniek 1988; 56: 3, 210-219. Stout C. Ozongat als reactievat. Natuur en Techniek 1989; 57: 9, 702-713.