De slag bij het Teutoburgerwoud

Ruim tweeduizend jaar geleden, in 9 na Christus, onderging Rome een van de smadelijkste nederlagen uit haar geschiedenis. Bij een verrassingsaanval door de Germanen onder leiding van Hermann der Cherusker, beter bekend als Arminius, werden 18000 soldaten onder aanvoering van de Romeinse gouverneur Varus bij het Teutoburgerwoud de pan in gehakt. Over wat en vooral waar zich dit heeft afgespeeld is nog maar kort geleden duidelijkheid ontstaan.

door

De bron
Hac clade factum, ut imperium quod in litore Oceani non steterat, in ripa Rheni fluminis staret. (Door deze nederlaag gebeurde het dat het Romeinse gezag, dat zich niet had laten inperken door de kust van de Oceaan, zijn grens vond aan de oever van de rivier de Rijn.)
Lucius Annaeus Florus, De Gestis Romanorum, ii, 39

Germanicus

De Romeinse veldheer Germanicus (16 v. Chr- 19 n. Chr.) Flickr / Paral lax

In het jaar 15 na Christus trok de Romeinse commandant Germanicus, neef van keizer Tiberius, met zijn legioenen door Germanië, het gebied ten oosten van de Rijn. Tijdens deze strafexpeditie stuurde Germanicus een legeronderdeel naar de Bructeren, een stam waarmee de Romeinen nog een rekening te vereffenen hadden. De historicus Tacitus vermeldt dat de Romeinen het veldteken van het 19de legioen terugvonden, de adelaar die zes jaar terug door de Bructeren was buitgemaakt toen zij hadden deelgenomen aan de veldslag bij het Teutoburgerwoud. Bij het plunderen van het overige gebied van de Bructeren naderden de Romeinse troepen de plaats van de fatale veldslag, waarbij drie legioenen en negen cohorten hulptroepen met hun aanvoerder Publius Quinctilius Varus waren omgekomen.

Het was bekend dat op de plaats van de veldslag de stoffelijke resten van de gesneuvelde Romeinen nog onbegraven in de open lucht lagen. Uit eerbied besloot de Romeinse legerleiding de plaats van de veldslag te bezoeken. Wat zij aantroffen tartte iedere beschrijving. Zij passeerden eerst de resten van het legerkamp van waaruit Varus op zijn laatste tocht vertrokken was. De grootte van het kamp kwam overeen met de omvang van drie legioenen, rond de 18000 soldaten. Verderop vonden de Romeinen duizenden albentia ossa (verbleekte botten) van de slachtoffers, in groepen of apart, op de plaats waar zij gesneuveld waren. Tussen de lichamen lagen brokstukken van wapens en paardentuig. Tegen de bomen waren schedels vastgespijkerd. Op open plaatsen in het bos waren door de Germanen altaren opgericht, waar zij de hoge officieren en de centurio’s hadden afgeslacht.

Enkele ooggetuigen die de slag meegemaakt hadden, wezen de plaatsen der herinnering aan: hier waren de officieren gemarteld en gedood, daar pleegde Varus zelfmoord, hier waren soldaten opgehangen, daar werden de veldtekens vertrapt en de adelaars buitgemaakt. In een stemming van stijgende woede en verdriet verzamelden de soldaten de botten, die tijdens een rituele plechtigheid bedekt werden met een grafheuvel. Germanicus betuigde de gevallenen eer en deelde in het verdriet van de troepen.

Varus, gouverneur van Germanië

Hoe had het zover kunnen komen met de militaire macht van Rome? Onder keizer Augustus was Publius Quinctilius Varus in het jaar 7 n.Chr. benoemd tot proconsul (gouverneur) van Germanië. Eerder had hij een dergelijke positie bekleed in Syrië. Verliezers hebben meestal geen goede pers in de geschiedschrijving, en ditzelfde lot onderging ook Varus. De chroniqueur Velleius Paterculus beschreef hem als traag van lichaam en geest, tiranniek, beïnvloedbaar, en niet vies van geldelijk gewin: ‘Als arm man kwam hij het rijke Syrië binnen, als rijk man verliet hij het arme Syrië.’

Toen Varus in Germanië aantrad, leek het gebied al aardig onder Romeins gezag geplaatst. Veel Germaanse soldaten dienden in de hulptroepen van het Romeinse leger. De burgerbevolking werd gedwongen haar zeden en gewoonten in te ruilen voor het Romeinse burgerschap en zich voor te bereiden op een leven in nieuw te bouwen steden. Het lag in Augustus’ voornemen om de Elbe tot rijksgrens te maken en Germanië in te richten als een nieuwe Romeinse provincia. Maar aan de vreedzame coëxistentie kwam een abrupt einde, volgens sommigen door de leugenachtige inborst en latente woestheid van het Germaanse volk, volgens anderen door de inhaligheid en het gebrek aan tact van gouverneur Varus.

In vrijwel alle bronnen wordt vermeld dat Varus veel te voortvarend te werk ging met het romaniseringsproces. Er werden hoge belastingen geheven, waardoor stammen tot armoede vervielen. Het Romeinse rechtssysteem werd geïntroduceerd, waardoor er een stroom van processen op gang kwam met uitspraken en beslissingen die indruisten tegen het ouderwetse eergevoel van de ‘primitieve’ Germaan. De groeiende onlustgevoelens werden gekanaliseerd door één man, die zijn sporen in het Romeinse leger verdiend had: Arminius.

De hinderlaag van Arminius

Arminius3

Standbeeld Arminius in Teutoburgerwoud

Arminius was rond het jaar 17 voor Christus geboren in de stam der Cherusken. Hij en zijn broer Flavus namen dienst in het Romeinse leger en behoorden al snel tot de eerste generatie sociale stijgers. Arminius, wiens naam waarschijnlijk is afgeleid van het ‘Armeense blauw’ van zijn ogen, bracht het tot commandant van een ruitereenheid, verwierf het Romeinse burgerrecht en werd zelfs opgenomen in de rangen der equites (ridders). In 7 na Christus keerde hij terug naar Germanië, waar hij tot de militaire staf van gouverneur Varus behoorde.

Ogenschijnlijk was hij een loyale Romeinse officier, maar zijn Germaanse wortels lieten zich niet verloochenen. Zijn ziel moet zijn geraakt door de desastreuze gevolgen van Varus’ belastingpolitiek en de arrogante houding van de Romeinen jegens de Germanen: ‘lieden die behalve hun stem en ledematen niets menselijks hebben.’ Hij besloot tot het voorbereiden van een opstand. In het geheim legde hij contacten met de leiders van de belangrijkste stammen: naast zijn eigen Cherusken waren dat de Chatten, de Bructeren, de Chauken en de niet-Germaanse stammen de Marsen en de Sicambren.

Het was moeilijk een samenzwering op deze schaal verborgen te houden. Volgens een van de geschiedschrijvers zou Varus zijn ingelicht over Arminius’ verraad, maar weigerde hij geloof te hechten aan de geruchten: de tekenen van vriendschap jegens hem hadden hem overtuigd van de loyaliteit van de Germanen. Een dergelijke ‘verblinding’ voor het duidelijk naderende onheil is een vast gegeven in de antieke tragedies. Volledig gerust op de eigen veiligheid verbleef Varus in de herfst van het jaar 9 met drie legioenen en enkele cohorten hulptroepen (ogeveer 2000 man) in Noord-Duitsland.

Op het moment dat hij zich opmaakte met de troepen terug te keren naar de winterkwartieren langs de Rijn, bereikte hem het bericht dat een stam in het westen in opstand was gekomen. De Germaanse samenzweerders in zijn staf, onder wie Arminius, verlieten daarop het legerkamp met als reden hun strijders te willen verzamelen om Varus zo snel mogelijk te hulp te komen. De Romeinse gouverneur liet hen in goed vertrouwen gaan en maakte zich klaar om op te trekken tegen de opstandelingen.

Als vee afgemaakt

Tijdens de mars was Varus zich van geen gevaar bewust: hij trok immers door de gebieden van zijn bondgenoten. Hij week om onduidelijke redenen af van de bekende marsroute. Het leger moest in een kilometerslange formatie zich een weg banen door bossen, langs heuvels en moerassen. Het marstempo werd vertraagd door karren met bagage en voorraden. Ook vrouwen, kinderen en slaven maakten deel uit van de legertros, die zich traag door het Noord-Duitse landschap bewoog. Het weer sloeg om en de soldaten raakten door de zware regenval tot op het bot doorweekt en gleden bij iedere stap weg in de modder.

Toen brak de hel los. Van achter een aarden wal daalde een regen aan pijlen en speren op de legionairs neer, gevolgd door snel oprukkende gevechtseenheden die het lange lint van Romeinse soldaten gemakkelijk uit elkaar dreven. De Romeinen hadden geen gelegenheid om zich te formeren en werden gehinderd door de zware natte schilden, de modder, de verwarring en de doodslag om hen heen. De verspreide clusters Romeinse soldaten waren een gemakkelijke buit voor de snel bewegende Germanen onder aanvoering van Arminius. Ze werden omsingeld en gedood. Sommige eenheden wisten nog een verschansing te bouwen en brachten daar de nacht door. Andere verbrandden al hun wagens met bagage achter zich en slaagden erin uit de hinderlaag te komen. Maar al snel verdwaalden zij in de bossen en verschenen er nieuwe eenheden Germanen.

Slag_teutoburgerwoud

Slag bij het Teutoburgerwoud door Friedrich Tüshaus (1832-1885).

Overlevenden schetsten een gruwelijk beeld: ‘De een staken ze de ogen uit, de ander hakten ze de handen af. Van weer een ander werd de mond dichtgenaaid, nadat een barbaar de tong had uitgesneden. Triomfantelijk hield hij het lichaamsdeel omhoog en riep: “Jij adder, eindelijk ben je opgehouden met sissen!”’ (Uit Lucius Annaeus Florus, Bellum Germanicum.)
De moordpartij duurde meerdere dagen. Toen Varus de omvang van de catastrofe besefte, maakte wanhoop zich van hem meester. Hij wierp zich in zijn zwaard. Hierop verloren de troepen alle moed en lieten zich als vee door de Germanen afmaken. Toen de overwinnaars Varus’ lichaam vonden, hakten zij het in stukken. Het hoofd van de gouverneur werd bezorgd bij koning Marbod van de Marcomannen, die het opstuurde naar keizer Augustus in Rome. In volkomen ontreddering sprak hij de historische woorden: ‘Vare, legiones redde!’ (Varus, geef mijn legioenen terug!)

Het rampjaar 9 dreunde nog lang door in het collectieve bewustzijn van de Romeinse samenleving. De drieste strafexpedities van Germanicus waren slechts een pleister op de wonde, al kon hij Arminius’ echtgenote Thusnelda gevangennemen en meevoeren in zijn triomftocht. In de volgende decennia werd de Rijn definitief ingericht als grens van het Romeinse rijk.

Op zoek naar het slagveld

In het begin van de 16de eeuw werd het handschrift van Tacitus’ Annalen ontdekt. Door deze vondst kwam de geleerde wereld op de hoogte van de locatie van Varus’ beroemde nederlaag. Tacitus gebruikte namelijk de woorden haud procul Teutoburgiensi saltu om de plek aan te geven waar het witte gebeente van Varus’ manschappen onbegraven lag. Maar wat was ‘niet ver van het Teutoburgerwoud’? En waar lag dat woud? Hierover ontstonden de meest fantastische theorieën, in de loop der eeuwen enkele honderden in getal, die met veel topografische kennis, maar zonder enig tastbaar bewijs werden ontwikkeld. Slechts de archeologie zou in staat blijken een antwoord op deze vraag te geven.

Toen de historicus Theodor Mommsen in 1885 werd verteld over een muntvondst uit Kalkriese, was zijn belangstelling voor deze plek in de omgeving van Osnabrück gewekt. In de vondst bevonden zich namelijk geen munten die later dan 9 na Christus geslagen waren. Had deze ‘geldbeurs’ toebehoord aan een soldaat die tijdens de slag om het leven was gekomen? Critici brachten hiertegen in dat een paar munten geen voldoende bewijs voor een veldslag waren. Er ontbraken objecten uit militaire context, zoals resten van wapens. Liever ging men ervan uit dat de slag had plaatsgevonden in het heuvelachtige en beboste gebied rond Detmold. Dit bos had de historiserende naam Teutoburger Wald gekregen en hier was in 1875 het enorme bronzen standbeeld van Hermann der Cherusker (Arminius) ingewijd, triomfantelijk met het zwaard omhoog, de dreigende blik richting Frankrijk gericht…

In 1987 werd de wetenschappelijke aandacht echter opnieuw op Kalkriese gevestigd. De Britse officier en amateur-archeoloog J.A.S. Clunn vond hier 160 zilveren denarii, alle geslagen vóór het jaar 9. Bovendien ontdekte hij drie slingerkogels van lood, de eerste militaria op deze plaats. De vondsten waren aanleiding voor de archeologische dienst van Osnabrück om reguliere opgravingen rond Kalkriese te gaan uitvoeren, met sensationele resultaten. Niet alleen werden wapenonderdelen van cavaleristen en infanteristen gevonden, maar ook bronzen meetapparatuur, schrijfstiften en medische instrumenten, de werktuigen van civiele legerondelen. Er waren ook tekenen van plundering: een ijzeren gezichtsmasker (onderdeel van een ruiterhelm) was van het verzilverde oppervlak ontdaan en daarna weggegooid.

Forensisch onderzoek van schedelfragmenten maakte duidelijk dat de botresten voor langere tijd onbegraven buiten hadden gelegen, alvorens zij onder de grond waren geraakt. De topografie van de plaats liet heuvels en moerassen zien, met een nauwe pas tussen de Kalkrieser Berg (157 meter) en het Grosses Moor. De plaats van een gedeelte van de Varusslag, wellicht de plek van de eerste hinderlaag, leek met deze vondsten te zijn ontdekt. Het slagveld heeft zich natuurlijk uitgestrekt over een veel groter gebied. Toekomstig onderzoek zal nog meer informatie geven over de laatste dagen van Varus’ legioenen.

Teutoburgerwald

Zelden heeft één enkele veldslag, hoe bloedig ook, zulke grote gevolgen gehad. Varus’ nederlaag betekende namelijk het einde van Rome’s Elbepolitiek (de Elbe als noordelijke grens van het Rijk) en het einde van een geromaniseerde Provincia Germania.

Ruurd Halbertsma is archeoloog en als conservator mediterrane wereld en Romeins Nederland verbonden aan het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. Tevens doceert hij aan de Universiteit Leiden.

Verder lezen op Kennislink:
-De Romeinse Germanenpolitiek
- Opstandige Bataven