Dodelijke virusziekten bij konijnen

De konijnenstand is in Nederland sterk achteruitgegaan door twee epidemieën, die van Myxomatose en VHS. Myxomatose is met opzet geïntroduceerd om de konijnenplaag te bestrijden. Inmiddels betreuren we de achteruitgang van de konijnenstand. Want juist het bijna verdwijnen van konijnen uit het ecosysteem maakt duidelijk hoe belangrijk ze zijn.

door

De eerste epidemie onder konijnen was de myxomatose epidemie in 1953. Zodra een konijn myxomatose heeft zie je dat meteen. Alle slijmvliezen zwellen op, en de bindvliezen van de ogen ontsteken waardoor de ogen dicht gaan zitten. Door de ontstoken neus halen ze hoorbaar adem. Konijnen met myxomatose zijn ook overdag bovengronds.De zieke dieren kunnen zich kennelijk niet meer oriënteren, botsen tegen struiken aan en lopen overdag op het fietspad. Myxomatose wordt veroorzaakt door een virus uit de familie van de poxviridae. Het myxoma virus komt in wilde konijnen voor bij de Braziliaanse katoenstaart (Sylvilagus brasiliensis).

Wilde konijnen hebben niet zoveel last van het virus, ze krijgen een wond achter het oor en meer niet. Maar toen in 1896 myxomatose optrad bij tamme (Europese) konijnen in Zuid-Amerika (Montevideo) bleek het dodelijk. Omdat de wilde konijnen als permanente bron van besmetting fungeerden, braken er steeds opnieuw ziektes uit bij tamme konijnen. Dit bracht in 1918 dr. Aragao in Rio de Janeiro op het idee om myxomatose te gebruiken om konijnenplagen te bestrijden. Tamme en wilde konijnen zijn immers dezelfde soort. Maar voordat de konijnenplagen met myxomatose werden bestreden was er eerst veel discussie onder wetenschappers.

Uiteindelijk werd de bestrijdingsmethode voor het eerst in Australië beproefd. Daar op de droge graslanden waren een hele boel konijnen die het schaarse voedsel van de schapen opaten. In 1949 ging het zo slecht met de schapenteelt, dat toestemming werd gegeven voor veldproeven met het myxoma virus om te proberen de konijnen uit te roeien. De eerste proeven in Australië werden gedaan in droge gebieden, de gebieden waar schapenteelt heel belangrijk is omdat er geen andere landbouw mogelijk is.

Eerst was de proef niet succesvol, tot opeens in december 1950 er zieke konijnen waren buiten een van de proefvelden. En toen ging de verbreiding snel, in 1953 was er een epidemie op het hele continent. Het virus wordt ‘mechanisch’ overgebracht door muggen die eerst een besmet konijn hebben gestoken. Mechanisch wil zeggen dat het virus niet de mug zelf besmet maar dat virusdeeltjes aan de zuigsnuit blijven kleven. Zodra een mug een besmet konijn steekt kan het een volgend konijn besmetten omdat het virus aan de zuigsnuit blijft kleven.

Belangrijk daarbij is dat het virus tot 220 dagen kan overleven op de monddelen van de (overwinterende) mug. Zo kan er onverwacht ergens myxomatose uitbreken, op kilometers afstand van een besmettingshaard en maanden na de laatste epidemie.

Afbeelding 1: Konijn besmet met Myxomatose

Myxomatose in Nederland

Op 14 juni 1952 introduceerde een arts in Frankrijk het virus in Europa vanuit een laboratorium in Rio de Janeiro. Hij had last van konijnen op zijn omheinde landgoed. Maar als we zien hoe myxomatose zich over heel Australië heeft verspreid, verbaast het ons niet dat de ziekte ‘ontsnapte’ uit het landgoed en zich in heel Europa verspreidde. In Nederland werd het eerste zieke konijn gesignaleerd in september 1953. Het ging iets langzamer dan in Australië, maar in oktober 1957 bereikte de myxomatose ook Schiermonnikoog en was het over heel Nederland verspreid.

Bij deze eerste epidemie is 99,9% van de wilde konijnen dood gegaan. Ook veel tamme konijnen gingen dood. Bij ons is waarschijnlijk de konijnenvlo (Spilopsyllus cuniculi) de belangrijkste overbrenger van de ziekte. Dat verklaart de langzamere verspreiding in Europa in vergelijking met Australië, waar het virus door muggen wordt overgedragen. Een vlo hupt van het ene dier op het andere, maar blijft binnen één konijnenpopulatie. Een mug daarentegen, kan vliegen en legt daarom grotere afstanden af. De vlo brengt de ziekte mechanisch over. De virusdeeltjes blijven net als bij de mug op de monddelen zitten.

Myxomatose komt in alle seizoenen voor, met een piek in september. Dat is de maand met de meeste vlooien en het hoogste aantal jonge (niet–resistente) konijnen. En vlooien zijn hardnekkig want ze kunnen in een hol zonder konijnen minstens 100 dagen overleven.

Evolutie van virus en de weerstand van het konijn

Het virus is sinds de introductie geleidelijk zwakker geworden. Na enkele jaren was de sterfte onder wilde konijnen tussen 50 en 95 procent. In 1980 waren er konijnen die herstelden van myxomatose en trad de ziekte niet meer overal tegelijk op. Er zijn drie ontwikkelingen die er allebei toe hebben bijgedragen dat het nu niet meer konijnenziekte nummer 1 is. Dat is ten eerste de afnemende virulentie wat inhoudt dat het virus steeds zwakker wordt. Ten tweede de ontwikkeling van genetische weerstand van de konijnen. En ten derde speelt ook de verkregen weerstand van een rol. Bij een virus volgen de generaties elkaar snel op, zodat er in betrekkelijk korte tijd mutaties optreden. Bij concurrentie, de ‘struggle for life’, is een zwakker virus in het voordeel. Immers, een konijn dat wordt geïnfecteerd door een zwakker virus gaat niet direct dood, maar loopt nog een aantal dagen ziek rond. Zo heeft dat zwakkere virus een grotere kans om zich te verspreiden in de populatie dan het sterke.

Hoe snel deze evolutie plaatsvindt is afhankelijk van de aard van de verspreider. Een konijnenvlo blijft op een konijn zitten. Pas als die dood gaat verhuist een vlo naar een ander konijn. Bij een sterk virus sterft een konijn na korte tijd. Echter, het aantal vlooien dat het virus krijgt is groter naarmate het zieke konijn langer ziek is. Zo wordt langzamerhand het zwakkere virus de meest voorkomende.
De evolutie van genetische weerstand van het konijn speelt ook een rol, maar op een andere tijdschaal. De generaties van het konijn wisselen elkaar veel langzamer af dan die van het virus, dus de genetische veranderingen in het konijn gaan ook langzamer. Deze weerstand is in 1965 aangetoond.

Tenslotte is er nog een vorm van weerstand, de verkregen weerstand. Het jonge konijn krijgt die weerstand via de moeder. De antistoffen in de moedermelk geven enige weerstand, waardoor het jonge konijn mogelijk in zijn eerste herfst de ziekte kan doorstaan. Bovendien zijn alle konijnen die een keer ziek zijn geweest vervolgens de rest van hun leven immuun.

Zo werd het virus zwakker en de weerstand van de konijnen groter. Desondanks had de konijnenstand in 1990 nog niet het niveau van voor de myxomatose bereikt, toen er een nieuwe ziekte opdook.

VHS -Viraal Hemorragisch Syndroom

Tegenwoordig is er nog een virusziekte die het lot van de konijnen lijkt te bepalen. Vanwege de lange naam zullen we hier de afkorting gebruiken, VHS. In het engels zijn andere afkortingen in omloop: Viral Haemorragic Disease (VHD) of Rabbit haemorragic disease (RHD). Het virus veroorzaakt inwendige bloedingen (een hemorragie is een bloeding). Deze bloedingen leiden tot ontsteking van de lever en milt en bloed in de longen. Aan de buitenkant is niet te zien dat het konijn ziek is. Waarnemers vertellen dat de konijnen onverwachts dood neervallen, soms met het eten nog in de bek of met bloed aan de neus of anus.

De ziekte kwam voor bij tamme konijnen, en is voor het eerst gerapporteerd in 1984 in China. In 1988 is de ziekte beschreven bij commercieel gehouden konijnen in Italië. De eerste waarneming in Nederland was in de duinen van Meijendel in 1990.
VHS is een ziekte die alleen bij Europese konijnen (Oryctolagus cuniculus) voorkomt. Het virus behoort tot de familie van de Caliciviridae. De herkomst van het virus is niet bekend. Voor tamme konijnen is inmiddels een vaccin ontwikkeld.

VHS grijpt om zich heen

VHS is een veel ernstiger epidemie geworden dan het op het eerste gezicht leek. Vanaf 1990 kwamen er uit steeds meer delen van het land berichten over de ‘geheimzinnige konijnenziekte’. Er was geen razendsnelle verspreiding, zoals met myxomatose. Maar daar waar de stand omlaag ging, herstelde ze niet. Dat VHS minder opvalt kan komen omdat zieke dieren wegkruipen in hun hol, of omdat de vos de karkassen meeneemt en verstopt voor de mens ze vindt. Het verschil in verspreiding en epidemievorming tussen myxomatose en VHS is een gevolg van de verschillen in de wijze van overdracht van de ziekte. VHS is erg besmettelijk, via de mond of neus. De overdracht geschied door direct of indirect contact. Van konijn op konijn, of via de keutels waar andere konijnen mee in contact komen. Ook dode konijnen zijn besmettelijk. Dat zou de manier kunnen zijn waarop het virus van China naar Europa is gebracht. Als eenmaal een gebied besmet is, blijft de besmetting ook bij zeer lage dichtheden van de overlevende dieren. In keutels kan het virus langere tijd in leven blijven. Zo is langzamerhand een steeds groter deel van Nederland besmet geraakt.

Ook in Nederland zal zich op den duur een zwakkere vorm van het virus ontwikkelen. Dat is gebeurd met een vergelijkbare ziekte onder de hazen, het Brown Hare Syndrome. Hoe lang we daarop nog moeten wachten is echter onbekend. Daarnaast is er ook hier een verkregen weerstand. Veel jongen onder de 2 maanden worden niet erg ziek, het virus vermenigvuldigt zich wel maar het leidt niet tot bloedingen. Deze jongen kunnen zo een immuniteit ontwikkelen. Jongen die van een immune moeder een passieve immuniteit meekrijgen (al voor de geboorte, niet via de melk), verliezen deze als ze niet in de eerste weken aan het virus worden blootgesteld. Met andere woorden deze verkregen immuniteit kan wel leiden tot een lagere sterfte in de populaties, maar er ontstaat niet een volledig immune populatie.

Een ander scenario is het uitsterven van VHS als de populatiedichtheid van het wilde konijn te laag wordt om het virus te onderhouden.Net als met myxomatose heeft ook het bestaan van VHS geleid tot onderzoek in Australië en Nieuw-Zeeland naar de bruikbaarheid van deze ziekte voor de bestrijding van konijnen. In Nieuw-Zeeland heeft dat ertoe geleid dat de regering van introductie heeft afgezien. Maar eigenwijze boeren introduceerden het in 1997 op eigen houtje. In Australië werd nog onderzoek gedaan op een eiland voor de kust (Wardang Island) toen in 1995 een VHS epidemie op het vasteland uitbrak.

De effecten op het ecosysteem

Door het bijna uitsterven van de konijnen door myxomatose werd hun sleutelrol in de ecosystemen van arme zandgronden, zoals de duinen, duidelijk. Als gevolg van deze epidemie ontwikkelde de vegetatie zich geheel anders en waren de roofdieren opeens een belangrijk prooidier kwijt.

Afbeelding 2: Drie konijnen in de duinen.

De vegetatie

Mörzer Bruyns heeft de vegetatie op Vlieland en Schiermonnikoog beschreven in de eerste twee jaren na de uitbraak van myxomatose. De kruidlaag kon doorgroeien, werd hoger en vooral dichter. Veel planten kwamen tot bloei, waaronder orchideeën. Het beeld werd kleurrijker. Bruyns waarschuwde al wel dat als deze situatie langer duurt er een verlies is van de variatie in de vegetatie. Onderzoek elders, waar de ontwikkelingen langer zijn gevolgd, hebben dat bevestigd. De vegetatiesuccessie krijgt een kans als de konijnen er niet meer zijn. Zo kunnen houtige gewassen groot worden en zijn er in die tijd na de myxomatose veel meidoorns tot ontwikkeling gekomen.

De VHS epidemie heeft de noodzaak vergroot om in natuurgebieden op de zandgronden ‘grote grazers’ in te zetten zoals pony’s en Schotse runderen. Maar die grazen toch weer anders zodat de natuur er anders uitziet dan bij begrazing door konijnen.

Prooidier

Met het konijn viel een belangrijk prooidier weg. Dat had allerlei gevolgen. Jonge en volwassen konijnen zijn een belangrijke prooi voor vossen en haviken, de jongen zijn voornamelijk van belang voor de bosuil in de tijd dat die zelf jongen heeft. In de duinen kwam de bosuil terug toen de konijnenstand zich herstelde na de myxomatose epidemie.

Ook nu, met VHS, zorgt het verdwijnen van konijnen voor problemen. In Spanje bijvoorbeeld, waar het konijn de belangrijkste prooi is voor de zeldzame pardellynx. De pardellynx kan namelijk niet zo makkelijk overschakelen op muizen als een meer ‘opportunistische’ soort als de vos.

Beide ziekten zijn door de mens geïntroduceerd. Myxomatose opzettelijk en VHS per ongeluk, waarschijnlijk via tamme konijnen. De verspreiding van de ziekte is sneller gegaan door mensen die een handje hielpen. Maar nu de konijnenplaag de kop is ingedrukt ontstaan er weer andere ecologische problemen. Roofdieren krijgen het moeilijk, en de vegetatie veranderd ook. Met het oplossen van het ene probleem ontstaat er een volgend probleem. Dit laat maar weer eens zien hoe complex de natuur in elkaar zit.