Eén chromosoom, een wereld van verschil

Jongetjes die een X-chromosoom teveel hebben of meisjes met een X’je te weinig: zolang ze nog niet in de puberteit zijn zie je er aan de buitenkant bijna niets van. Daarom worden deze aandoeningen vaak ook pas zo laat ontdekt, dat de sociale ontwikkeling van de kinderen al verstoord is. En dat is niet nodig, meent neuropsycholoog Van Rijn. Met behulp van de nieuwste neuroimaging-technieken gaat ze kijken wat er in de hersenen van deze kinderen anders gaat, en hoe ze beter begeleid kunnen worden als ze nog jong zijn.

door

Kinderen met een sekse-chromosomale aandoening moeten zo vroeg mogelijk gediagnosticeerd worden. Daarvoor pleit Veni-winnares Sophie van Rijn. Nu blijft de aandoening vaak onopgemerkt, met als risico dat de cognitieve en sociale problemen van het kind zich onnodig opstapelen.

Sekse-chromosomale aandoeningen komen regelmatig voor. In Nederland heeft 1 op de 600 jongens door een genetische fout een X-chromosoom te veel (het Klinefelter-syndroom) en heeft 1 op de 2000 meisjes een X-chromosoom te weinig (het Turner-syndroom). Veel van de kinderen hebben een verstoorde sociale ontwikkeling, net als kinderen met autisme. Hun sociale handicap is echter subtiel en valt daardoor lang niet altijd op. “Er zijn veel mensen die er pas op latere leeftijd achter komen dat ze aan het Klinefelter- of Turner-syndroom lijden”, aldus Van Rijn.

Sophie van Rijn: “Veel mensen komen er pas op latere leeftijd achter dat ze een sekse-chromosomale aandoening hebben.”

Geen oog voor subtiele sociale signalen

Dat is zonde, vindt de Leidse neuropsycholoog, want de verstoring in de sociale ontwikkeling heeft dan vaak al zijn sporen achtergelaten. Tijdens haar promotieonderzoek onderzocht ze volwassen mannen met het Klinefelter-syndroom. “Veel van deze mannen pikken subtiele sociale signalen niet op,’ vertelt Van Rijn. ‘Ze steken bijvoorbeeld een lang verhaal af, zonder aan het gezicht van de gesprekspartner af te lezen dat diens interesse op een gegeven moment weg is. Daardoor kan het hen veel moeite kosten om vrienden te maken en aansluiting te vinden bij collega’s op het werk. Soms leidt dit tot psychische klachten zoals depressie en angst.”

Die gevolgen kunnen wellicht voorkomen worden wanneer de aandoening al op jonge leeftijd gedetecteerd wordt, denkt Van Rijn. “Als je weet dat een kind aan het Klinefelter- of Turner-syndroom lijdt, dan kun je zo’n kind thuis en op school gerichte ondersteuning bieden. Daarmee voorkom je dat de problemen zich opstapelen.”

Mannen die lijden aan het Klinefelter syndroom hebben een X-chromosoom te veel, terwijl vrouwen met het Turner syndroom een X-chromosoom te weinig hebben.

Een beetje als autisme

Op dit moment is er echter nog weinig bekend over de mechanismen die ten grondslag liggen aan de verstoorde sociale ontwikkeling bij kinderen met een sekse-chromosomale aandoening. “Hier ligt een mooie uitdaging voor mij als onderzoeker”, zegt Van Rijn. “Als we beter begrijpen wat er misgaat bij de kinderen, kunnen we de aandoening in de toekomst eerder herkennen en onze hulpverlening beter toesnijden op hun specifieke behoeften.”

Naar autisme is al veel onderzoek gedaan. Omdat het Klinefelter en het Turner syndroom qua symptomen lijken op hun bekendere broertje in het brede spectrum van de ontwikkelingsstoornissen, is het verleidelijk om aan te nemen dat de onderliggende mechanismen hetzelfde zijn. Die conclusie is volgens Van Rijn voorbarig. “Kinderen kunnen om verschillende redenen sociale situaties moeilijk vinden. Eerder onderzoek bij volwassenen wijst erop dat mensen met het Klinefelter-syndroom moeite hebben met het verwerken van taal, terwijl mensen met het Turner-syndroom achterblijven in het visueel-ruimtelijke domein. Die lijn van onderzoek wil ik met mijn Veni-subsidie voortzetten. Ik wil in kaart brengen welke verschillende oorzaken ten grondslag kunnen liggen aan een sociale handicap.”

Kinderen met het syndroom van Klinefelter en Turner lijken in hun gedrag op kinderen met autisme. Dat wil echter niet zeggen dat in hun brein ook hetzelfde mis is.

Basis voor betere begeleiding ligt in de hersenen

Daarvoor neemt Van Rijn onder meer een kijkje in de hersenen. Met behulp van de nieuwste neuroimaging-methoden ziet ze welke hersengebieden oplichten bij het verwerken van sociale informatie. Van Rijn wil bijvoorbeeld onderzoeken wat er in de hersenen gebeurt als kinderen met het Klinefelter- of het Turner-syndroom een gezichtsuitdrukking moeten herkennen. Daarvoor maken zij mogelijk gebruik van verschillende strategieën – talig of visueel – die een beroep doen op verschillende hersengebieden.

Als dat inderdaad zo is, biedt dat perspectief voor de begeleiding van de kinderen. Van Rijn: “Een kind met een sekse-chromosomale aandoening vraagt om specifieke aandacht voor zijn sterktes en zwaktes. Een kind met het Klinefelter-syndroom wegwijs maken in sociale situaties, kun je bijvoorbeeld doen door uitleg te geven aan de hand van plaatjes en andere vormen van visuele ondersteuning. Dat werkt vermoedelijk beter dan een uitleg in woorden.” Collega’s van Van Rijn zijn momenteel bezig met het ontwikkelen van diverse cognitieve trainingen die zij op hun effectiviteit gaan toetsen bij verschillende groepen kinderen. Hierdoor zou de begeleiding van kinderen met sociale problemen veel gerichter en effectiever kunnen worden.

Van Rijn: “Sekse-chromosomale aandoeningen zouden eerder herkend moeten worden.”

Een hele nieuwe manier van klinisch denken

Het onderzoek van Van Rijn is niet alleen vooruitstrevend in praktische zin. Ook qua manier van denken begeeft ze zich op onontgonnen terrein. “Ik draai het klassieke klinische denken in feite om”, zegt Van Rijn. “Ik plak niet een label aan bepaalde gedragssymptomen om vervolgens de oorzaken ervan te onderzoeken. In plaats daarvan begin ik bij de oorsprong, een eenvoudig vast te stellen genetisch defect, en kijk ik wat de effecten ervan kunnen zijn op de ontwikkeling van de hersenen en het gedrag.”

Die effecten liggen niet bij voorbaat vast en kunnen van persoon tot persoon verschillen, benadrukt Van Rijn. “Iemand met het een sekse-chromosomale aandoening is niet gedoemd om met grote problemen door het leven te gaan. Dat problemen een genetische oorsprong hebben, wil niet zeggen dat ze onvermijdelijk en onveranderbaar zijn. Met gerichte steun vanuit de omgeving help je kinderen in hun afwijkende ontwikkeling. Hoe eerder hoe beter.”

Alle pasgeboren testen op een X’je teveel of te weinig

Om die ondersteuning te kunnen bieden is een vroege diagnose essentieel. Daarom betreurt Van Rijn het dat er bij pasgeborenen momenteel geen standaardcontrole op sekse-chromosomale aandoeningen plaatsvindt. Een gemiste kans, vindt de Veni-winnares. “Je kunt een overtollig X-chromosoom niet wegnemen en je kunt een ontbrekend X-chromosoom niet opvullen, maar je kunt de effecten van die aandoeningen wél gunstig beïnvloeden. Waarom zouden we onszelf die kans onthouden?”