De drukste periode kenden de Amsterdamse prostituees in de zomer en nazomer, als vooral veel Oost-Indiëvaarders in de stad waren. Veel schepen van de VOC keerden dan terug of stonden juist op het punt te vertrekken. De bemanning, met goedgevulde beurs, zocht dan vertier aan wal. Die hitsige zeelui moesten immers ergens hun lusten botvieren. En liever niet op de eerbare vrouwen en dochters van de burgerij.
Zo vond een Duitse reiziger in 1698 dat zonder de Amsterdamse prostitutie ‘geen man zijn eerlijke vrouw (zou) kunnen beschermen tegen de geilheid van de zeelieden, wier bloed door de Indische zon is verhit en die door het passeren van de evenaar alle schaamte verloren hebben.’
Zeelieden en prostituees waren op elkaar aangewezen. Ze kwamen vaak uit dezelfde sociale klasse en hielden zich dansend, zingend en drinkend op in speel- en hoerhuizen. Opgepakte prostituees verklaarden herhaaldelijk dat hun vrijers Oost-Indiëvaarders waren.
Maar het was niet alleen feest. Condooms waren pas in de achttiende eeuw, op kleine schaal, voorhanden. Geslachtsziekten lagen op de loer. Vooral syfilis, ofwel de Spaanse pokken, werd gevreesd. Genezing was onmogelijk en de ziekte was vaak dodelijk.
Dat zeelieden en prostituees verspreiders waren van geslachtsziekten, wist iedereen. Maar hoe brave burgermannen aan hun SOA kwamen, werd liever verzwegen.
Dit artikel is ook te lezen op de site van Anno




