Invloed op het hiernamaals

Banner_themadood

Deze publicatie is onderdeel van het dood thema. Meer…

Er is maar één zekerheid in het leven: aan het eind gaan we dood. Maar waarom eigenlijk? En hoe? En als we eenmaal dood zijn, is het verhaal nog lang niet afgelopen. Nabestaanden vinden manieren om met hun verdriet om te gaan, en met de angst voor hun eigen dood. En als dat niet werkt, kunnen we altijd nog op zoek naar onsterfelijkheid en eeuwig leven. Inhoud:

We zijn niet altijd bang geweest om te sterven, al was dat natuurlijk afhankelijk van wat we verwachtten dat er na de dood kwam. Veel culturen kenden naast een ‘hemel’ ook een soort ‘hel’, en daar wilde je niet terecht komen. Gelukkig kon jij zelf, of anders je nabestaanden, dingen doen die invloed uitoefenden op je lot in het hiernamaals.

door

Het Walhalla en Helheim

Van de Vikingen kent bijna iedereen het Walhalla wel. Het Walhalla was het rijk van de god Odin, en werd voorgesteld als een enorme zaal waar het voortdurend feest was. Er was vlees, honingwijn, en muziek. Voorwaarde om in het Walhalla te komen was dat je een heldhaftige, dappere krijgersdood was gestorven. Odin’s walkuren zochten op het slagveld de waardigst gesneuvelde krijgers uit, en namen hen mee naar het Walhalla. Je kunt je voorstellen dat dit voor de Vikingen een goede motivatie was om zichzelf dapper te onderscheiden in de strijd. Misschien is het succes van de Vikingen ook wel gedeeltelijk door deze instelling te verklaren.

Walkuren

De Walkuren halen gesneuvelde helden op van het slagveld. (Emil Doepler, ca. 1905) Wikimedia commons

De strijders die niet waren uitverkoren door de walkuren vielen onder de hoede van de godin Freya. De vrouwen overigens ook, want het Walhalla was alleen voor mannen toegankelijk. Freya nam hen mee naar Fólkvangr, naar haar eigen paleis Sessrumnir. Er is niet heel veel bekend over dit oord. Volgens gedeeltes in de Gylfaginning zouden er voortdurend liefdesliederen gespeeld worden. Dit wekt de indruk dat het geen onaardige plek was om je hiernamaals door te brengen.

Sterven aan ziekte of ouderdom was de grote nachtmerrie van de Vikingen. Dan kwam je namelijk terecht in Helheim (of ‘Niflhel’), het domein van de godin Hel. Het was een plek van lijden en doffe ellende. Koud, donker en mistig, zonder uitweg. Er zijn bronnen die beweren dat sommige edelen zich op hun sterfbed lieten doorboren met speren, om maar dit vreselijke lot te kunnen ontlopen (Steinsland, G. & Meulengracht Sørensen, P., 1998: Människor och makter i vikingarnas värld: 91)

Het dodenrijk van de Egyptenaren

De heerschappij van de Egyptenaren duurde zo lang dat hun perceptie op het hiernamaals ook wijzigde in de loop der eeuwen. De meest recente en ook meest bekende visie komt uit de tijd van het Nieuwe Rijk (1550 v. Chr.-1090 v. Chr.) en hangt samen met de vondst van de Dodenboeken.

Dodenboek

Gedeelte uit het Egyptische Dodenboek (ca. 1200 v. Chr.) Wikimedia commons

Voordat de gestorvene toegang kreeg tot het dodenrijk moest hij of zij verschijnen voor de rechter Osiris en 42 andere rechters, om zich te verantwoorden voor zijn of haar daden. Het hart van de overledene werd op een weegschaal gelegd en gewogen tegen de veer van Maät. Als het hart zwaarder was dan de veer werd de overledene schuldig bevonden. Een monster – Ammit, ook wel de Grote Verslindster genoemd- dat vaak al bij de weegschaal stond te wachten, vrat de overledene dan op, en dit betekende dan zijn tweede dood. Einde verhaal. De Egyptenaren kenden dus geen ‘hel’ als zodanig, maar het idee van een tweede dood was beklemmend genoeg zodat veel Egyptenaren er alles aan deden om dit lot te ontlopen.

Als het hart niet zwaarder was dan de veer werd de overledene rechtvaardig bevonden en kon hij zijn reis naar het hiernamaals (het Kherneter) vervolgen, als een soort Osiris zelf (dat wil zeggen ‘een uit de dood verrijzende’).

Mummificatie

Wilde je als Egyptenaar dat je ziel (‘Ka’) überhaupt een bestaan had in het hiernamaals, dan was het zaak dat je aardse lichaam ook voor eeuwig intact bleef. Het lichaam kreeg daarom een speciale behandeling, het werd gebalsemd en gemummificeerd.

Nu was het wegen van het hart niet puur doorslaggevend. Zoals bij elke rechtszaak mocht de overledene zelf pleidooi houden voor zijn zaak, om de rechters te overtuigen van zijn rechtvaardigheid. Om de dode hiermee te helpen kreeg hij in zijn graf teksten en spreuken op papyrus (dodenboeken) mee die hem zouden helpen bij zijn verwoordingen.

De Elysische velden en het Tartaros

Als Grieken het loodje legden stond hen een enkele reis naar de onderwereld te wachten, het domein van de god Hades. Maar voordat de ziel van de dode deze reis kon ondernemen dienden de nabestaanden ervoor te zorgen dat het lichaam correct was afgelegd. Hades accepteerde namelijk alleen doden in zijn rijk die voldeden aan de eisen van het begrafenisritueel. Als er niet aan deze voorwaarden werd voldaan was de ziel van de overledene gedoemd om voor altijd tussen de twee werelden te zwerven.

Hades_en_cerburus

Beeld van Hades en Kerberos, in het archeologisch museum op Kreta Wikimedia commons / Aviad Bublil

Het dodenritueel van de Grieken bestond uit een reeks rituele handelingen die werden uitgevoerd binnen een tijdsbestek van negen dagen. Het leek eigenlijk vrij veel op begrafenisrituelen die wij vandaag nog steeds kennen. Het lijk werd gewassen, geolied, kreeg mooie kleding aan, en werd op een baar gelegd. In de mond van de overledene werd een muntstuk gedaan, zodat de overledene bij zijn tocht naar het hiernamaals de veerman Charon kon betalen. In de dagen die volgden was er ruimte voor geweeklaag. De daadwerkelijke uitvaart vond plaats op de derde dag. Tussen de derde en de negende dag werd het huis van de gestorvene als onrein beschouwd. Het werd gereinigd, en voor de bezoekers stond er buiten een kruik met water waarmee zij zichzelf konden reinigen.

Mits het ritueel juist werd uitgevoerd werd de ziel van de dode opgehaald door Hermes, boodschapper van de goden. Hij escorteerde de dode naar de onderwereld, welke bewaakt werd door de driekoppige hond Kerberos. Deze liet een overledene vrijelijk naar binnen gaan, maar zorgde er wel voor dat niemand er meer uit kwam.

Eenmaal aangekomen bij de rivier Styx betaalde de dode de veerman Charon het muntstuk voor de overtocht. Aan de andere kant van de Styx stonden er drie rechters te wachten om hun oordeel te vellen over het leven van de gestorvene: Minos, Rhadamanthys en Aeacus, allen zonen van Zeus. Ook de Griekse onderwereld kende namelijk verschillende oorden waar de dode naar toe ‘veroordeeld’ kon worden, al leek de bestemming een beetje afhankelijk van goddelijke willekeur, en niet vatbaar voor beïnvloeding.

  • De Elysische Velden ging je als Griek naar toe als je tijdens je leven buitengewoon rechtvaardig was geweest, of je verdienstelijk had opgesteld tegenover de goden. Hier was het altijd zomer en werd voortdurend gejaagd en feest gevierd. Dit was helaas maar voor een zeldzame enkeling weg gelegd.
  • Het Tartaros was bestemd voor misdadigers, en mensen die de goden hadden beledigd. Dit was een oord van eeuwige duisternis. De ongelukkigen die hiernaar toe veroordeeld werden moesten tot in de eeuwigheid een onmogelijke taak vervullen.
  • Verreweg de meeste mensen gingen echter naar de Asphodulus weide, een grijze grauwe plek waar je het hiernamaals willoos en gedachteloos door bracht. Ook koningen, en halfgoden gingen hier naar toe.