Martijn Goudbeek onderzocht hoe mensen klanken leren onderbrengen in categorieën. “Baby’s die hun moedertaal leren moeten die vaardigheid onder de knie krijgen. Volwassenen die een tweede taal leren moeten ook vrijwel altijd nieuwe klanken leren. Heel verschillende situaties, inderdaad, maar de onderliggende processen zijn hetzelfde. Een groot verschil is alleen dat baby’s die in de wieg liggen en zelf nog geen klanken produceren, geen feedback krijgen. En tóch liggen ze in de wieg te leren welke klanken voor hun moedertaal relevant zijn en welke niet. We weten dat kinderen van vijf maanden hetzelfde reageren op verschillende klanken uit verschillende talen. Met twaalf maanden reageren ze duidelijk sterker op de klanken van de moedertaal en negeren ze klanken uit vreemde talen die in hun moedertaal irrelevant zijn. Mijn belangrijkste onderzoeksvraag was: hoe ontwikkelt dat onderscheidend vermogen zich?”

Proefpersonen
Goudbeek liet volwassen proefpersonen vreemde nieuwe klanken indelen op verschillen. Die verschillen, zoals klinkerlengte en toonhoogte, moesten ze dan wel zelf herkennen. Sommige proefpersonen werden geholpen met het vinden van de relevante indelingscriteria door tussentijdse feedback, anderen moesten zonder feedback uit de indelingstaak komen. Goudbeek vond, niet opmerkelijk, dat mensen mét feedback sneller leren.
Eigen taalsysteem
Proefpersonen-zonder-feedback houden bij het indelen langer vast aan hun eigen taalsysteem. Spanjaarden die ‘Nederlandsachtige’ klinkers moesten indelen, selecteerden eerder op toonhoogte (relevante informatie in het Spaans) dan op lengte – wat voor het Nederlands belangrijker is. Een Spanjaard die geen feedback krijgt over het relevante indelingscriterium doet er langer over om een duidelijk verschil te horen tussen de klinkers van luk en leuk, of van man en maan. Engelstaligen, die vanwege de klemtoon in hun moedertaal verschillen in klinkerlengte kennen, pikken dat eerder op, bleek uit hetzelfde experiment met Amerikanen.

Patroonherkenning
Maar of het nu korter of langer duurt: ook zonder feedback worden op zeker ogenblik patronen herkend. Goudbeek: “Terugvertaald naar de situatie van het kind in de wieg: dát die op zeker moment onderscheid maakt tussen relevante en niet-relevante klanken is bekend. De vraag was hóe dat gebeurt; ik heb met dit onderzoek aannemelijk weten te maken dat patroonherkenning een belangrijke rol speelt bij klankverwerving. Wat redelijk onverwacht was, en nieuw en spannend, is dat ook volwassenen zonder feedback behoorlijk goed kunnen leren.”
Theorievorming
Het onderzoek van Goudbeek is fundamenteel van aard; het belang ervan is op de eerste plaats gelegen in de bijdrage die het levert aan de theorievorming. Goudbeek: “Er is een groot theoretisch model dat klankherkenning beschrijft, van het oor tot in het brein. Zie mijn onderzoek als een bouwsteentje in dat model.” Op de lange termijn kunnen Goudbeeks resultaten mogelijk ook bijdragen aan de ontwikkeling van betere methoden voor automatische spraakherkenning en voor het tweede taal-onderwijs.
Martijn Goudbeek promoveert op donderdag 8 maart 2007 aan de Radboud Universiteit Nijmegen op zijn proefschrift ‘The acquisition of auditory categories’. Goudbeek voerde zijn onderzoek uit bij het Max Planck Institut für Psycholinguistik, Nijmegen. Momenteel doet hij neuropsychologisch onderzoek naar taal, communicatie en emotie aan de universiteit van Genève.
zie ook:
- Kinderbrein geen MP3-speler (Kennislinkartikel)
- Jong geleerd… (Kennislinkartikel)
- Peuters laten spelen met taal (Kennislinkartikel)
- Kindertaal: van brabbel tot volzin (Kennislinkdossier)