Ten eerste is het begrip menselijk kapitaal behulpzaam bij de analyse van onderwijsbeslissingen. Kort en goed gaat de human capital theorie ervan uit dat iemand onderwijs blijft volgen zolang de opbrengsten van een extra jaar (of extra maand, of extra dure opleiding) hoger zijn dan de kosten daarvan. Daarbij gaat het niet alleen om opbrengsten en kosten in financiële zin, maar ook om immateriële opbrengsten en kosten. Dit model leidt tot toetsbare voorspellingen ten aanzien van de effecten van onder meer een verhoging van het collegegeld, een verlaging van de basisbeurs of een verandering van de inkomstenbelasting. Bovendien kan het model verklaren waarom kinderen meer onderwijs volgen naarmate ze slimmer zijn of rijkere ouders hebben.
Het ‘menselijk kapitaal’–model is ook nuttig bij de analyse van inkomensverschillen. Allereerst maakt het model duidelijk dat het hogere inkomen als gevolg van een hogere opleiding voor een deel gezien kan worden als een compenserend beloningsverschil. Iemand die meer opleiding heeft gevolgd, verdient meer vanwege de uitgestelde beloning gedurende de extra opleidingstijd. Het hogere inkomen dat later wordt verdiend, compenseert daarvoor.
Meer opleiding, meer inkomen?
Onderwijs is goed voor je portemonnee.
De afgelopen 15-20 jaar hebben economen veel onderzoek gedaan naar het oorzakelijke effect van onderwijs op inkomen. De lastigheid is daarbij dat mensen die meer onderwijs volgen ook in andere – vaak niet-geobserveerde – kenmerken verschillen van mensen met minder opleiding.
Idealiter zouden we een experiment willen uitvoeren waarin sommigen door toeval bepaald wel een extra opleiding kunnen volgen en anderen – eveneens door toeval bepaald – niet. Dat is vanzelfsprekend niet mogelijk. In het onderzoek is men daarom op zoek gegaan naar omstandigheden die dit gerandomiseerde experiment zo goed mogelijk nabootsen. Voorbeelden van zulke “quasi-experimenten” zijn eeneiige tweelingen die een verschillend opleidingsniveau hebben; mensen die zijn geboren vlak voor of vlak na de datum die geldt als grens waarop het verplicht is om naar school te gaan; plotselinge veranderingen in de duur van de leerplicht; of plotselinge veranderingen in de duur van bepaalde opleidingen. Een mooi voorbeeld van dat laatste is de verkorting van de universitaire opleiding in Nederland van 5 jaar naar 4 jaar die in 1982 plaatsvond.
Onderwijs is een rendabele investering
Dus eigenlijk is huiswerk maken een soort investering in jezelf…
Het empirisch onderzoek van de laatste jaren laat overtuigend zien dat onderwijs voor degenen die het volgen een behoorlijk rendabele investering is. Een jaar extra onderwijs leidt gemiddeld genomen tot een inkomenstoename van zo’n 5 tot 10%. ‘Gemiddeld genomen’ omdat het rendement van een extra jaar onderwijs niet voor elk jaar hetzelfde is en bovendien verschilt tussen personen; de één heeft er meer baat bij dan de ander.
De hoogte van het rendement op onderwijs hangt verder af van vraag naar en aanbod van hoger opgeleiden en kan daardoor verschillen tussen landen en perioden. Hoe groter de vraag naar hoger opgeleiden en hoe geringer het aanbod, des te hoger het rendement. In dat verband heeft de Nederlandse Nobelprijs-winnaar Jan Tinbergen het beeld gebruikt waarin de mate van inkomensongelijkheid de uitslag is van een wedren tussen technologische ontwikkeling en deelname aan onderwijs. Technologische ontwikkeling leidt tot een toename van de vraag naar hoger opgeleide werknemers en daarmee tot grotere inkomensverschillen. Een grotere deelname aan hoger onderwijs leidt daarentegen tot een toename van het aanbod van hoger opgeleiden en daarmee tot kleinere inkomensverschillen. Omdat het rendement op onderwijs de laatste jaren is gestegen, kunnen we concluderen dat de vraag naar hoger opgeleide werknemers sterker is gegroeid dan het aanbod.
Het idee dat in mensen kan worden geïnvesteerd, is niet alleen toegepast bij analyses van onderwijs, maar ook bij de analyse van onder meer bedrijfsopleidingen, gezondheid en zelfs immigratie. Ook in die gevallen heeft dit tot verhelderende inzichten geleid.
Hessel Oosterbeek is hoogleraar Economics of Education aan de Universiteit van Amsterdam.
Meer lezen?
Gammacanon
De sociale wetenschappen bestaan zo’n honderdvijftig jaar. Tijd om de belangrijkste bevindingen uit de sociologie, economie, psychologie, politicologie en culturele antropologie eens op een rij te zetten. Welke sociaalwetenschappelijke kennis moeten we eigenlijk allemaal paraat hebben? Een commissie van wijze mannen en vrouwen heeft zich de afgelopen tijd onder leiding van professor Paul Schnabel over deze vraag gebogen. Resultaat: de gammacanon – met alles wat we zouden moeten weten over mens en samenleving.
Deeltijders scholen zich minder
Deeltijders investeren minder in hun scholing dan voltijders. Hoewel voltijders door hun werkgever gestimuleerd worden zich verder te ontwikkelen, heeft het personeelsbeleid geen effect op de scholing en het informele leren van de deeltijders. Deeltijders kunnen dit slechts gedeeltelijk compenseren wanneer zij zeer gemotiveerd zijn om te leren en een goed beeld hebben van hun verdere loopbaan. Dat blijkt uit de enquête ‘Levenslang Leren 2007’ van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA).
Opleiding bepaalt levensduur
De totale levensverwachting van de Nederlandse bevolking neemt toe, maar er blijven grote verschillen naar sociaal-economische status. Mannen met alleen lager onderwijs leven gemiddeld vijf jaar korter dan mannen met een HBO of universitaire opleiding. Voor vrouwen is het verschil bijna 2,5 jaar.
Waarom schaarse bèta’s niet zoveel verdienen
Hogeropgeleide bèta’s worden steeds schaarser, ook in vergelijking met niet-bèta’s. Maar dat zien bèta’s niet weerspiegeld in hun salaris. Hoe komt dat? Verklaringen lijken het internationale karakter van de arbeidsmarkt voor bèta’s en een grotere behoefte aan aanvullende scholing van bèta’s.