Minder dierproeven met DNA-kaart

Jammer… Het grootste deel van medicijntests op muizen blijkt bij mensen helemaal niet op dezelfde manier te werken. Dat komt deels doordat de meeste labmuizen helemaal niet de genetische aanleg hebben om bij bepaalde ziektes op een mens te lijken. Wilde muizen hebben die aanleg vaak wel, zegt een internationaal team wetenschappers. Ze roepen andere wetenschappers om met een genetische menukaart hun proefdieren beter samen te stellen.

door

Labmuis

Laboratoriummuizen lijken misschien teveel op elkaar. Wikimedia Commons / Rama

De Tweede Kamer wil veertig procent minder dierproeven. Dat is niet gek, want meer dan de helft van de huidige dierproeven leidt niet tot betere medicijnen of gezondheidsvoordelen.

Vaak komt dat omdat een middel dat bijvoorbeeld in muizen wel werkt, bij mensen helemaal niets doet. De oorzaak daarvoor ligt wellicht in een klein onbekend genetisch verschil tussen mensen en muizen waarvan we nog niets weten.

Zulke fouten zijn te voorkomen door beter na te denken over het DNA in je proefdieren, zeggen Gary Churchill en andere biologen in het blad Nature Genetics. Als voorbeeld hebben de onderzoekers een nieuwe kaart ontwikkeld die de volledige DNA-volgorde – oftewel het genoom – van allerlei soorten muizen beschrijft. Met de kaart kunnen andere wetenschappers sneller zien welke laboratoriummuis ze het best kunnen gebruiken voor medisch onderzoek.

Proefdierruzie

In 2004 werden succesvolle dierproeven en hun tegenvallende resultaten voor mensen uitgebreid besproken in het tijdschrift The British Medical Journal, oftewel BMJ. Toen constateerden Pandora Pound en haar collega’s in een grootschalig onderzoek dat veel dierproeven slecht zijn opgezet. En zelfs wanneer een medicijn door prima onderzoek bij muizen wordt goedgekeurd om verder te testen bij mensen, vallen de resultaten dan dikwijls tegen.

De maand erna kwamen een aantal felle reacties binnen, die het artikel sterk bekritiseerden. Pounds conclusie dat medicijnproeven met dieren niets zeggen over de werking van hetzelfde geneesmiddel bij mensen, zou te negatief zijn omdat Pound teveel slecht opgezette dierproeven meenam. De enige conclusie die Pound had mogen trekken, is dat veel slechte dierproeven door de keuring komen.

Enigszins verontwaardigd was de reactie van Yeshwant Bakhle. Hij noemt nog een paar grote medische ontdekkingen dankzij dierproeven, zoals cholesterolverlagende middelen en medicatie om patiënten veilig onder narcose te brengen.

Voor muizenonderzoek gebruiken wetenschappers op dit moment bijna alleen maar afstammelingen van de huismuis met de soortnaam Mus musculus. En dat is een erg beperkte keus, blijkt nu uit het onderzoek van Churchill. Genetisch bekeken mist de huismuis stukjes DNA die wilde muizen wel hebben. Het zou goed kunnen dat bepaalde stammen van wilde muizen daarom betere kandidaten voor bepaalde medicijnproeven zijn dan de klassieke laboratoriummuis.

Aardmuis_microtus_agrestis

Wilde muizen dragen misschien DNA dat essentieel is voor goede dierproeven. Creative Commons

Om voor andere wetenschappers in kaart te brengen welke stammen misschien nuttig zijn, controleerde Churchill het genoom van 136 muissoorten over de hele wereld. In totaal bleken 36 wild gevangen muizen uit landen als China, Kenia, Marokko, Italië en Japan genen te bevatten die de klassieke laboratoriumsoorten niet hebben. Onderzoekers die willen nadenken over de keuze van hun proefmuizen, kunnen naar de website Mouse Phylogeny Viewer surfen. Daar heeft Churchill alle muisgenomen in een handig computerprogrammaatje samengesteld.

Churchill pleit er verder voor om voortaan bij elke grote dierproef het genoom van de muizen erbij te laten publiceren, zodat iedereen kan meekijken welke muizengenen bij welke proeven een rol hebben gespeeld. Hij denkt dat muisproeven dan betere resultaten voor mensen zullen opleveren, en dat er dan uiteindelijk minder dierproeven nodig zullen zijn.

Zie ook

Meer biotechnologie op Ditisbiotechnologie.nl