Peter de Knijff: ‘DNA-onderzoek vormt inbreuk op mijn privacy’

Geregeld zit hij in het getuigenbankje, maar hij zal nimmer voor de televisiecamera verschijnen. Peter de Knijff: ‘DNA-profielen zijn spijkerhard; de interpretatie is een groot vaag veld.’

door

Het forensisch lab van dr. Peter de Knijff is samen met het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Rijswijk het enige laboratorium met een accreditatie voor forensisch DNA-onderzoek. Onderzoekers zijn in het lab aan de Leidse Universiteit in staat uit minieme sporen biologisch materiaal afkomstig van de plaats van een misdrijf een DNA-profiel te maken – slechts 25 celkernen zijn genoeg. Die DNA-profielen kunnen een cruciale rol spelen in de rechtszaal. De Knijff: ’ Met alle beroemde en geruchtmakende DNA-zaken in Nederland komen wij vroeg of laat toch in aanraking.’

Zo ook de geruchtmakende Puttense moordzaak waarbij Christel Ambrosius in 1994 werd verkracht en gedood. Twee Puttenaren zaten zeven jaar celstraf uit, maar werden na heropening van de zaak op 24 april vrijgesproken. DNA-sporen speelden een belangrijke rol in de rechtszaal. Het DNA-profiel van sperma op het slachtoffer kwam bijvoorbeeld niet overeen met dat van de verdachten. Maar van een bij het lijk gevonden schaamhaar, bleek het mitochondrieel DNA-profiel wel overeen te komen met dat van Wilco V. Het Openbaar Ministerie (OM) bracht die overeenkomst, na getuigenis van De Knijff in de rechtszaal, als een ‘keihard daderspoor’. De persofficier zou die misinterpretatie later corrigeren op aandringen van De Knijff. Het mitochondrieel DNA wordt namelijk via de vrouwelijke lijn doorgegeven, en in potentie kunnen haren van vele verwanten en ook niet-verwanten van de verdachte hetzelfde profiel hebben. ‘Of het bewust gebeurt of niet doet er niet toe, maar het OM mag in publiciteitsgevoelige zaken geen gekleurde informatie verspreiden. Het is dan mijn plicht als deskundige dat recht te zetten.’

Dode schoonmaker

Het illustreert de zorgvuldige aard van De Knijff, die zo’n vijf keer per jaar als getuige wordt opgeroepen om resultaten toe te lichten. De Knijff is constant op zijn hoede om zijn reputatie als onafhankelijke getuigedeskundige te bewaken. Nooit zal hij een oordeel vellen over schuld of onschuld (‘Daarvoor moet je het hele dossier kennen’) en hij weigert al jaren herhaalde verzoeken om op televisie te verschijnen. ‘Uit voorzichtigheid en omdat ik er niks mee opschiet. Als deskundige wil ik een gezonde afstand tot de materie behouden. Ik wil niet de Benno Baksteen (verkeersvlieger die luchtvaart becommentarieert – AvtH) van het DNA-onderzoek worden.’

Het imago van DNA-onderzoek is heel krachtig en definitief, maar De Knijff is de eerste om dat idee te relativeren. ‘Het enige wat betrouwbaar is aan een DNA-spoor is de kwaliteit van genotyperingen die je eruit verkregen hebt. Daar hoef je niet aan te twijfelen, dat is betrouwbaar, reproduceerbaar en correct geïnterpreteerd. Echt spijkerhard. Of het DNA-profiel vervolgens relevant is voor het misdrijf hangt helemaal af van het gehele strafdossier.’

‘Kijk, als ik in een lab een speekselspoor achterlaat en er wordt de volgende ochtend een dode schoonmaker gevonden, maakt mij dat dan de dader? Nee, want het spoor is geen bewijs dat ik op hetzelfde moment in die ruimte was. DNA-profielen zijn dus zeer betrouwbaar bewijs, maar de interpretatie ervan in relatie tot het misdrijf is een heel groot, vaag veld.’

In weerwil van alle relativering valt geregeld de roep om bevolkingsonderzoek bij onopgeloste moordzaken te horen. ‘Dat is volslagen zinloos. Iedereen kan nagaan dat dat niet te doen is. Misschien in Amerika, in een gat op de prairie met tweehonderd inwoners, waar geen vreemden komen. Maar die situatie heb je in Nederland niet. Iedereen is hier bezig met van A naar B te gaan. Wie wil je dan opnemen in je databestand? Binnen een straal van tien kilometer? Dat is zo’n enorme natte duim. Tenzij je heel specifieke aanwijzingen hebt uit welke groep van mensen de dader afkomstig moet zijn. Verder kan ik me er weinig bij voorstellen.’

Aandrang

En een database met profielen van alle Nederlanders is helemaal onrealistisch, vindt De Knijff. Elk jaar worden er 250.000 kinderen geboren. Hun DNA-gegevens zouden moeten worden opgeslagen totdat ze de leeftijd bereiken waarop ze een misdrijf kunnen gaan plegen. Tel daar de overige zestien miljoen Nederlanders bij op. ‘Met een bodemprijs van honderd euro – vijftig per profiel en het moet altijd in duplo – wordt dat astronomisch. En wat doe je met alle mensen die op doorreis zijn, of alle Duitsers die jaarlijks de zomer langs de kust kamperen? Die hebben ook last van hun hormonen, net als wij. Waar leg je de grens?’

‘De roep om een bevolkingsdatabase met DNA-profielen stoelt vooral op een gebrek aan kennis en op retoriek gericht op het sussen van onrustgevoelens in de maatschappij’, denkt De Knijff. Alsof een database de maatschappij op slag veilig zou maken. Niet dus. Neem Engeland, zegt hij, waar ruim een miljoen profielen zijn opgeslagen. Dagelijks worden tientallen hits gevonden tussen sporen van misdrijven en een DNA-profiel in de database. ‘Het voorkomt dus geen criminaliteit, omdat de categorie misdaden waardoor veroordeelden in het databestand worden opgenomen, zo’n grote impulsieve factor kennen. Als iemand, voordat hij een misdrijf gaat plegen, zich zou realiseren wat hij moet doen om te voorkomen dat er geen biologisch materiaal achterblijft, dan is de aandrang allang verdwenen.’

Privacy

De Knijff gelooft wel in het nut van databestanden met een doelgerichte opzet. ‘Je vergroot daarmee de pakkans.’ Nederland heeft momenteel een kleine database met profielen van veroordeelden van zware geweldsdelicten, moord en verkrachting. Er zijn plannen om dat bestand uit te breiden, maar de politiek neigt volgens De Knijff toch naar het standpunt dat het afnemen van DNA-materiaal een te grote inbreuk op de privacy is. ‘Het verbijstert mij dat daar zo over gedacht wordt. Als je al een centraal databestand wil hebben, dan moet je daar plegers van een misdrijf met kans op herhaling inzetten. Dan maak je effectief gebruik van de middelen.’

Het plegen van een ernstig misdrijf, vindt De Knijff, zorgt ervoor dat de maatschappij op een andere manier met privacygegevens van de veroordeelde mag omgaan. ‘Ik vind niet dat je hetzelfde aan een willekeurige Nederlander mag vragen, omdat die toevallig in een dorp woont waar een misdrijf gepleegd is. De sociale druk van de omgeving is dan heel groot. Als je niet meedoet, komt je buurman wel naar je toe: “Waar was je nou gisteren? Wij zijn allemaal geweest!” Je wordt dan gedwongen zaken te verdedigen, die je niet zou moeten verdedigen. Dat vergeten veel mensen.’ De Knijff zou daarom altijd weigeren mee te werken aan de bevolkingsonderzoek. ‘Omdat het wel degelijk een inbreuk is op mijn privacy.’ Niet zozeer vanwege gegevens die het oplevert. ‘In principe is het niks engs; zegt het DNA-profiel niets over je. Maar alleen al het feit dat je, omdat je ergens woont, verplicht kan worden tot meewerking aan een onderzoek gaat mij veel te ver.’