Peuteragressie

Agressief gedrag bij peuters neemt toe na het eerste en weer af na het derde jaar. Het gedrag van moeders heeft invloed, en de agressiefste peuters hebben de hoogste cortisolniveaus. Opvallend, want bij oudere kinderen is dat andersom.


Naar agressief gedrag bij kinderen en adolescenten wordt veel onderzoek gedaan. Over de ontwikkeling van agressiviteit bij de allerkleinsten, peuters van 1 tot 4 jaar, is echter nog maar heel weinig bekend. Als een van de weinige onderzoekers nam Lenneke Alink in haar promotieonderzoek juist deze groep onder de loep. “Agressief gedrag is nu eenmaal ongewenst gedrag”, zeg Alink. “Als je wilt weten waarom het bij sommige kinderen mis gaat, en wat je daar misschien aan kunt doen, moet je eerst weten wat de normale ontwikkeling is.”

Agressie neemt af

Sinds de jaren zeventig tot voor kort was de heersende opvatting dat kinderen agressiever worden naarmate ze ouder worden. Agressief gedrag was in deze optiek aangeleerd: kinderen keken het af van anderen, of ontdekten dat agressief gedrag het gewenste resultaat opleverde. Nu is er echter een nieuwe stroming, die stelt dat agressie juist afneemt na de peuterleeftijd. Het onderzoek van Alink bevestigt deze hypothese.

Het agressieve gedrag van kinderen tussen de 1 en de 4 jaar vertoont een duidelijke curve met een sterke groei tussen een en twee jaar, een piek tussen de twee en de drie, en een afname vanaf drie jaar.

De gegevens voor de curve kwamen uit vragenlijsten die waren ingevuld door ouders van 2253 kinderen. Deze ouders deden mee aan een groot pedagogisch onderzoek, waarvoor onder meer aan hen werd gevraagd hoe vaak hun kind tijdens de afgelopen twee maanden agressief gedrag vertoonde, zoals slaan, schoppen of bijten. Van de helft van de kinderen van 12 maanden werd agressief gedrag gerapporteerd. Voor kinderen van 24 en 36 maanden lag dit percentage respectievelijk tegen de 80 en 75%. Vaders rapporteerden een iets lagere frequentie dan moeders. Verschillen tussen jongens en meisjes werden zichtbaar vanaf 24 maanden.

Uit een follow-up studie bleek bovendien dat agressief gedrag van kinderen al vroeg redelijk stabiel was, en dat gedrag op heel jonge leeftijd dus voorspellende waarde heeft voor gedrag in latere peuterjaren. “Die stabiliteit is een van de belangrijkste dingen die we hebben ontdekt”, aldus Alink.

Betrouwbare observaties

Rapportage van agressief gedrag door ouders en de statische verwerking daarvan is één manier om iets over de ontwikkeling van dat gedrag te kunnen zeggen. Pedagogen willen agressie echter ook graag zelf kunnen observeren in experimenteel onderzoek. Maar een bewezen betrouwbaar instrument daarvoor bestond nog niet. Alink: “In 1994 is een observatie-instrument voor fysieke agressie ontwikkeld, maar dat was nog nooit empirisch gevalideerd. Wij hebben dat wel gedaan, en we hebben laten zien dat het inderdaad mogelijk is agressie betrouwbaar te meten. Zelfs bij eenjarige kinderen bleken verschillende waarnemers hetzelfde te observeren.”

Het is lastig om een instrument te ontwikkelen dat onderzoekers helpt bij het observeren van agressie. Want wat is bijvoorbeeld agressief gedrag bij een peuter, en wat is onhandigheid?

“Vooral bij eenjarigen is dit soort onderzoek vrij controversieel”, vertelt Alink. “Het meten van agressie heeft nogal wat haken en ogen. Dat komt voor een deel doordat er onenigheid is over wat precies verstaan moet worden onder agressief gedrag. Vaak wordt in de definitie opgenomen dat er de intentie moet zijn om iemand pijn te doen of ergens schade aan toe te brengen. Maar die intentie is bij volwassenen al moeilijk vast te stellen, laat staan bij peuters die de consequenties van hun daden nog niet kunnen overzien, en zich nog niet goed in taal kunnen uitdrukken.” Alink heeft er daarom voor gekozen de intentie niet in de definitie op te nemen. Maar afgezien van de intentie blijft het lastig om onderscheid te maken tussen agressief gedrag en onhandige peutermotoriek, of de ‘collateral damage’ die het gevolg is van onderzoekend peutergedrag. Alink liet zien dat dit toch mogelijk is.

Experiment

De onderzoekers ontvingen kinderen met hun moeders in de spelkamer van de Faculteit Sociale Wetenschappen, en brachten de kinderen in twee potentieel frustrerende situaties. Later werd het agressieve gedrag van de kinderen vanaf videobanden gecodeerd. In de ene situatie kregen de kinderen van hun moeder de opdracht speelgoed op te ruimen. De andere potentieel frustrerende situatie bestond eruit dat de peuters van heel mooi speelgoed af moesten blijven. Alink: “Dan konden ze alleen maar met een saaie stoffen clown spelen. Die clown had het soms zwaar te verduren.”

Uit het experiment kwam een aantal conclusies naar voren die afwijken van de uitkomsten van het onderzoek met vragenlijsten. Bij de geobserveerde kinderen werden bijvoorbeeld geen leeftijdverschillen gevonden. “Dat kan komen doordat ouders niet precies wisten wat onder agressie moest worden verstaan, en misschien dachten dat een kind de bedoeling moest hebben iemand pijn te doen”, zegt Alink.

Een potentieel frustrerende situatie voor een peuter: speelgoed opruimen (foto: Anissat).

“Ouders schreven er soms ook bij dat hun kind het niet met opzet deed. Daardoor kan het zijn dat vooral ouders van eenjarigen een onderschatting gaven van het agressieve gedrag van hun kind. We hebben daar weer van geleerd dat we dit in het vervolg dus beter aan de ouders moeten uitleggen. Maar het kan ook komen doordat eenjarige kinderen thuis bijvoorbeeld nog niet hoeven op te ruimen. Ze worden op die leeftijd thuis nog niet met frustrerende opdrachten geconfronteerd. Het kan ook nog komen doordat kinderen maar heel kort werden geobserveerd, terwijl de ouders rapporteerden over een periode van twee maanden. Ons eerste doel was het valideren van het observatie-instrument. Dat is gelukt, en het instrument is veelbelovend. Maar er moet nog veel onderzoek gedaan worden, vooral naar gevolgen op lange termijn. Dit is nog maar het begin.”

Sensitieve moeder

Iets anders wat Alink in een spelsituatie onderzocht was het gedrag van de moeders, en de invloed daarvan op de agressie van de kinderen. Alink: “Inderdaad, alleen de moeders. Dat is misschien een zwak punt, maar het is nu eenmaal zo dat de moeders in de meeste gevallen de primaire verzorgers zijn. Het is nog steeds moeilijk om vaders aan dergelijke onderzoeken te laten meewerken.”

Ze keek naar twee factoren die vaak in het pedagogisch onderzoek figureren: de invloed van negatief disciplineringsgedrag (commanderen ze het kind bijvoorbeeld op een negatieve manier?) en de invloed van de sensitiviteit van de moeders. Uit het onderzoek kwam naar voren dat negatief disciplineringsgedrag wel zorgde voor meer agressiviteit bij de kinderen, maar alleen als de moeders minder sensitief waren in een andere situatie. Als ze hun kind bijvoorbeeld op ongevoelige wijze op hun fouten wezen, of in het algemeen weinig warmte of inlevingsvermogen toonden.

Moeders die hun kind op een negatieve manier commanderen en daarbij weinig inlevingsvermogen tonen, zorgen voor meer agressie dan warmere moeders.

Hoge cortisolwaarden

Het onderzoek naar biologische factoren van agressief en delinquent gedrag viert momenteel hoogtij. De hypothese is dat dergelijk gedrag vooral voorkomt bij mensen met een van nature lage hartslag en een laag cortisolniveau. Alink: "Dit onderzoek is nog vrij nieuw, en er is op heel veel verschillende manieren onderzoek naar gedaan. De onderzoeksopzetten laten soms nog te wensen over, en zijn in ieder geval heel verschillend. Wij wilden kijken wat de stand van zaken is, en in zo’n geval voer je een meta-analyse uit op alle onderzoeken die gedaan zijn, onder meer om te kijken of bepaalde factoren, zoals de onderzoeksopzet, van invloed zijn op de uitkomsten.’’

“Het resultaat van onze meta-analyse was opvallend”, vervolgt Alink. “Voor de basisschoolleeftijd werd de hypothese bevestigd: een lager basaal cortisolniveau hing samen met meer agressief gedrag. Deze samenhang was nog sterker bij kinderen met klinische niveaus van agressie. Maar bij jongere kinderen was er juist een positieve relatie: hoe hoger het niveau van agressie, hoe hoger de cortisolniveaus van de kinderen.”

“Hoe dat komt? Die vraag is nog niet goed te beantwoorden. Het zou kunnen komen doordat het stresssysteem verandert. Maar het kan ook gaan om andere typen van agressie. De agressiematen die zijn gebruikt zijn niet zo goed omschreven. Er moet veel meer onderzoek naar gedaan worden. De uitkomsten zijn nu nog moeilijk te interpreteren.”

Over vier weken gaat Alink naar het Institute of Child Development in Minneapolis, een van de meest vooraanstaande instituten in het vakgebied. “Ze hebben in Minnesota al meer dan 30 jaar een longitudinaal onderzoek lopen naar de ontwikkeling van psychopathologie vanaf de jongste kindertijd. De mensen die vanaf het begin gevolgd zijn, zijn nu dus ruim dertig. Velen van hen hebben zelf al kinderen, en die kinderen volgen ze ook weer. Binnen dat project werken wordt natuurlijk een prachtige leerervaring.”