Regie is nodig: De belofte van het sociaal mentoraat

In het kader van het onderzoek Steunen op het midden? hebben onderzoekers Vasco Lub en Leanne Broekman mentoren en mentees uit verschillende sociaalmentoraatsprojecten ondervraagd over hun ervaringen. Zij concluderen dat sociale mentoraten een serieuze kans verdienen omdat blijkt dat de mentees goede resultaten boekten.

door en

Het fenomeen van het sociaal mentoraat is met stip op één beland in de Sociale Agenda, waarover in 2006 in het Tijdschrift voor de Sociale Sector het nodige geschreven is. Door de vijfhonderdduizend kansarmste bewoners van Nederland aan een mentor te koppelen, zouden gewone burgers met wijsheid en levenservaring een bijdrage kunnen leveren aan de emancipatie van de onderklasse. Dit beeld van geslaagden die zich inzetten voor achterblijvers spreekt tot de verbeelding. Maar heeft het ook bestaansrecht?

In de Volkskrant van 12 oktober jl. vertelt Ayaan Hirsi Ali het verhaal van de 18-jarige Ahmed. Opgegroeid in een kansarm Marokkaans gezin in Amsterdam-West komt Ahmed door toeval in contact met Jan, een Nederlandse man die hem na schooltijd helpt met zijn huiswerk. De twee ontwikkelen een band en Jan ontfermt zich over Ahmed door voor hem als mentor op te treden. Ahmed komt in aanraking met een voor hem onbekende wereld. Zijn nieuwe omgeving biedt hem geborgenheid, een dagelijks ritme en brengt hem in aanraking met kunst en cultuur. Maar bovenal leert het hem dat er dingen in het leven belangrijk zijn waar je geen geen diploma voor kunt halen, bijvoorbeeld: hard werken, beleefd converseren en tafelmanieren. Door het contact met Jan bloeit Ahmed op en wordt hij zelfs toegelaten als rechtenstudent aan de Universiteit van Amsterdam.

In haar artikel spoort Hirsi Ali autochtone Nederlanders aan zich te ontfermen over kansarme allochtone jongeren. Niet uit altruïstische overwegingen, maar uit noodzaak: voor het behoud van een stabiele samenleving zal Nederland volgens Hirsi Ali in de toekomst afhankelijk zijn van Ahmeds generatie.

Hirsi Ali wordt op haar wenken bediend, want er doet zich een nieuw fenomeen voor in de Nederlandse samenleving: de opkomst van sociaal mentoraten. Dit zijn projecten waarin burgers op vrijwillige basis optreden als mentor voor leden van achterstandsgroepen. Andere vormen van mentor- en coachingsprojecten bestonden al langer, maar sociaal mentoraten genieten een toenemende populariteit, getuige ook de uitverkiezing in de Sociale Agenda. Tegen de achtergrond van segregatietendenzen en sociale achterstand heeft het sociaal mentoraat de glans van iets hoopvols en beloftevols.

De vraag is of de belofte kan worden ingelost. Zo trekt SCP-directeur Paul Schnabel het nut van sociaal mentoraten in twijfel. Hij voorziet vooral pijnlijke en nergens toe leidende confrontaties tussen middenklassers en kansarmen. Volgens Schnabel moet er dan ook niet te veel van het sociaal mentoraat worden verwacht. In het kader van het onderzoek Steunen op het midden? hebben wij mentoren en mentees uit verschillende sociaalmentoraatsprojecten ondervraagd over de aard van hun relatie, wat het voor hen opleverde en hoe zij hun omgang met elkaar beleefden. Hierbij waren we vooral geïnteresseerd in de overdracht van kennis, vaardigheden en attitudes. Ook keken we of mentees profiteren van het sociale netwerk van de mentor. De gesprekken met hen leerden ons dat je van sociaal mentoraten heel veel mag verwachten.

Mentor en mentee van het project Wegwijs in Nederland. Voor het onderzoek zijn vier mentoraatsprojecten benaderd: Goal, Wegwijs in Nederland, Giving back en Big brother big sister. Bij deze ‘sociaal mentoraten’ is het de bedoeling dat de geholpene – veelal jongeren onder aan de maatschappelijke ladder – op enigerlei wijze kan profiteren van de begeleiding, kennis en contacten van de mentor. De mentoraatsprojecten duren veelal een jaar en de mentoren krijgen voor aanvang een korte training. In totaal zijn meer dan dertig respondenten geïnterviewd plus enkele informanten. De komende maanden wordt het onderzoek afgerond.

Hechte band

Mentees in sociaal mentoraten zijn over het algemeen jongeren en jongvolwassenen in een zekere achterstandspositie die moeite hebben richting te geven aan hun eigen leven. Hun achtergrond is divers: van een jonge autochtone vrouw die studiebegeleiding wenst tot een Antilliaanse jongeman zonder werk of opleiding. De mentoren uit ons onderzoek waren voornamelijk autochtoon, van middelbare leeftijd en hoger opgeleid. De meesten hadden eerder ervaring opgedaan in het vrijwilligerswerk, het mentorschap zagen zij als een mogelijkheid zich weer maatschappelijk te engageren. Ook de bezorgdheid over de segregatie in Nederland bleek voor velen een belangrijke drijfveer om mentor te worden: ‘Ik las in de krant altijd over de problematiek rond allochtonen. Ik vond het een uitdaging om te kijken of ik aansluiting kon vinden bij iemand die zo anders is dan ik, in leeftijd, in culturele achtergrond, in opleidingsachtergrond… lukt dat?’ (mentor van een Surinaamse jonge vrouw)

Koppels uit sociaal mentoraten spreken af in cafés, bij de mentor thuis of in een buurthuis. Sommigen bezoeken ook samen musea, open dagen van opleidingen of maken een stadswandeling. Meestal probeert men elkaar eens per week te zien op een vast tijdstip. Dat valt niet altijd mee, vertelt een beleidsambtenaar die een Marokkaanse vmbo-scholiere begeleidt: ‘Zij is gesluierd en ze is dan ook nog 15 of 16, dus waar ga je in godsnaam met elkaar zitten? En dan kan je wel denken: “het kan ons niks schelen”, maar je voelt het wel. Dat was ook een groot leerpunt voor mij. Ik dacht: is het al zo ver dat er gewoon geen gemeenschappelijke ontmoetingsruimte is voor zoiets?’ (mentor van een Marokkaans meisje)

Hoewel de trajectduur van de koppels varieerde, hadden de meeste al langere tijd contact met elkaar, sommige zelfs meer dan een jaar. De koppels stellen samen de doelen vast, vaak staat er één doel centraal, zoals taalverbetering, het vinden van een baan, de overgang naar het volgende leerjaar of de oriëntatie op een vervolgopleiding. Maar het mentoraat bleek meer dan een instrument om dit éne doel te bereiken. Gaandeweg komen diverse onderwerpen en problemen aan de orde, zowel praktisch als emotioneel van aard. De banden van de koppels zijn hecht, veel mentees noemen het vriendschap. Ze zijn blij dat ze niet worden veroordeeld of betutteld. Professionele hulpverleners doen dat volgens hen veelal wel. De mentoren zijn zich op hun beurt zeer bewust van het gevaar van betutteling: ‘Ik vind dat je op die leeftijd je eigen keuze moet maken. Dus ik ben wat terughoudend om haar dingen te vertellen, van: zo moet je het doen.’ (mentor van een Surinaamse jonge vrouw)

Desondanks weten de mentoren hier goed mee om te gaan. Ze houden de relatie gelijkwaardig om tegelijk invloed te kunnen blijven uitoefenen: ‘Ik ga niks pushen. Ik wil geen paternalistische houding. Om de relatie gelijkwaardig te houden, wil ik dat voorkomen. Zij moet het bij mij leuk vinden. Als het een “klasje” wordt dan lukt het niet.’ (mentor van een 16-jarig Marokkaans meisje)

De achtergrond van mentees is divers. Over het algemeen gaat het echter niet om senioren, zoals in dit project van de provincie Zuid Holland, maar om jongeren en jongvolwassenen.

Horizonverruiming

Het sociale kapitaal van de mentor vormt een belangrijke hulpbron voor mentees. Het contact met de mentor levert de mentee een grotere bekendheid op met de wereld van instanties, werk en opleiding. Waar nodig zoeken de mentoren samen met de mentee naar werk of woonruimte, helpen ze bij het invullen van formulieren, verwijzen ze de mentees naar instanties en bemiddelen ze wanneer de mentee op zoek is naar een stage. Een Nederlandse jongeman vond door de vasthoudendheid van zijn mentor een vaste baan: ‘Zij zei elke keer: “Heb je daar gesolliciteerd?” “Ga daar eens kijken.” Of ze bleef me wijzen op vacatures. Later heb ik daar toch wel iets mee gedaan en nu heb ik een baan.’ (Nederlandse mentee, 19 jaar)

Ook bespreken mentoren en mentees zaken zoals jezelf presenteren tijdens een formeel gesprek, het voeren van een telefoongesprek met een instantie of hoe constructief om te gaan met conflictsituaties op school. Menotoren expliciteren heersende gedragsregels, omgangsvormen en opvattingen, ‘stille codes’ die voor mentees lang niet altijd vanzelfsprekend zijn. Mentoren grijpen vooral in als ze zien dat het gedrag of de instelling van de mentee nadelig voor hen uitpakt. Voorbeelden zijn het (op tijd) verschijnen op afspraken of je netjes kleden voor een sollicitatiegesprek. Bij mentees van allochtone afkomst valt bovendien op dat ook zij moderne opvattingen uitdragen, zoals tolerantie jegens homoseksuelen of de economische zelfstandigheid van vrouwen. ‘Het zijn heel praktische dingen die zó vanzelfsprekend zijn voor ons, maar niet voor haar! Als zij zich wil ontwikkelen, zal ze meer met haar cultuur moeten breken en zich meer moeten conformeren aan de westerse ongeschreven regels. Al doende leert ze dat.’ (mentor van een Ghanese jonge vrouw)

Het effect van het mentoraat voor het sociale netwerk van de mentee is minder eenduidig. Tot het vrienden- en kennissennetwerk van de mentor krijgen mentees weinig toegang, ook al is de relatie met de mentor nog zo vriendschappelijk. Het contact heeft dus een geïsoleerd karakter. Overigens komt dit wel de vertrouwensband ten goede, omdat de mentee niet bang hoeft te zijn dat informatie in eigen kring bekend raakt en zich vervolgens tegen hem of haar keert. Bovendien kan het mentoraat ook indirect leiden tot vergroting van het sociale netwerk van de mentee: ‘Hij heeft zeker 80 procent van zijn foute vrienden achter zich gelaten. Iedere keer dat hij nieuwe vrienden ontmoet, laat hij ze kennismaken met mij. Zo blijf ik op de hoogte en weet ik wat hij zoal doet met zijn tijd. Want nu hij mijn vrienden beter heeft leren kennen, wil hij ook vrienden die verder zijn: met eigen huis, auto, een baan, dat soort dingen.’ (mentor van een 23-jarige Marokkaanse jongeman)

De bewondering voor personen die ‘verder zijn’ is vergelijkbaar met de rolmodelwerking van hoogopgeleide familieleden voor jonge allochtonen. Ouders, broers, zussen, ooms of tantes die een opleiding hebben gevolgd of anderszins ambitie aan de dag leggen, kunnen een stimulerend voorbeeld vormen. Het lijkt erop dat een mentor en diens sociale contacten deze rol ook kan vervullen. Voor zover mentees erin slagen hun eigen sociale netwerk te vervangen door bijvoorbeeld het contact met foute vrienden op te geven, lijkt dit ten dele te danken aan de voorbeeldfunctie van de mentor.

Mentoren werken ook aan de persoonlijke weerbaarheid van de mentees. De mentor leert zijn mentee dat hij ‘nee’ kan zeggen in situaties, dat hij voor zijn eigen mening mag uitkomen, of dat argwaan naar andere mensen niet altijd gegrond is. Veel mentoren stimuleren hun mentees om over hun toekomst na te denken. Vooral jonge allochtonen leven soms van dag tot dag. Menotoren laten zien dat voor die leuke baan later nú een diploma moet worden gehaald.

Bron: Provincie Zuid Holland

In de sociale wetenschap wordt er vaak van uitgegaan dat een gelijke status en een noodzaak tot samenwerking voorwaarden zijn voor een duurzaam en positief effect van contact. Dit onderzoek heeft ons geleerd dat dit niet zo hoeft te zijn. In sociaal mentoraten blijken geslaagde burgers prima in staat te zijn vruchtbare relaties aan te gaan met leden van achterstandsgroepen, ondanks de verschillen in leeftijd, sociale klasse, etniciteit of leefstijl. De angst van Paul Schnabel voor pijnlijke en nergens toe leidende confrontaties tussen middenklassers en kansarmen in mentorprojecten lijkt dus ongegrond. Dit betekent echter nog niet dat men elkaar als vanzelf opzoekt. Op heel veel plekken en meer dan vroeger verdwijnen groepen blijvend uit elkaars zicht. Recentelijk pleitte de WRR (2006) dan ook voor het stimuleren van burgercontacten, maar de raad blijft vaag over de concrete invulling hiervan. Een zekere mate van regie op deze contacten – zoals deze plaatsvindt in sociaal mentoraten – lijkt een stap in de goede richting. In dergelijke projecten worden interetnische en klassenoverstijgende contacten gesmeed waarvan leden van achterstandsgroepen kunnen profiteren. Maar regie vraagt om professionele ondersteuning. In sociaal mentoraten worden mentoren – maar ook mentees – soms geconfronteerd met moeilijke kwesties en dilemma’s. Professionele ondersteuning bij en structurering van het mentorcontact is daarom van belang. Veel mentoren en mentees uit ons onderzoek konden onvoldoende terugvallen op deze ondersteuning of hadden het gevoel er alleen voor te staan.

De kracht van het sociaal mentoraat schuilt in het een-op-eencontact. Vaak zien kansarme groepen alleen dát bepaalde groepen succesvol zijn, zonder precies te kunnen nagaan wat het geheim van hun succes is. Door het intensieve contact met geslaagde burgers kregen de mentees geleidelijk meer greep op de mechanismen die bijdragen tot hun sociale stijging. Een te sterke focus op de functionele invulling van verheffing via het onderwijs en de arbeidsmarkt is wellicht niet voldoende. In het verhaal van Hirsi Ali had de inspanning van Jan effect: Ahmed veroverde uiteindelijk een plek op de universiteit. Ook wij constateerden dat mentees concrete resultaten boekten. Velen realiseerden hun doelstellingen, zoals het verbeteren van hun Nederlandse taalvaardigheid of het vinden van een baan. In de strijd tegen sociale achterstand en segregatie verdienen sociaal mentoraten daarom een serieuze kans.

Vasco Lub is werkzaam bij NIZW Sociaal Beleid en als onderzoeker verbonden aan het STIP-onderzoek ‘Steunen op het midden?’ Leanne Broekman studeert onderwijskunde en sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en is stagiaire bij het NIZW. Het onderzoek naar sociaal mentoraten maakt deel uit van het bredere onderzoek Steunen op het midden? Op zoek naar gangmakers voor achterblijvers. Hierin onderzoeken het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn / NIZW en de Universiteit van Amsterdam (UvA) de sociale liftfunctie van de stad.