Romantische relaties van adolescenten en jongvolwassenen

In veel sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de relaties van jongeren met leeftijdgenoten is tot nu toe vooral aandacht uitgegaan naar relaties van vriendschappelijke aard. Minder aandacht is geschonken aan romantische relaties, alhoewel deze relaties juist van zeer groot belang zijn voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van mensen over de levensloop. In dit artikel worden de resultaten van 3 recente studies naar de romantische relaties van jongeren en (jong) volwassenen beschreven – naar (1) het effect van relatieverbreking en relatieproblemen op de geestelijke gezondheid van jong volwassenen, (2) de rol van zowel pestgedrag onder leeftijdgenoten en vriendschapsrelaties in het aangaan en beleven van romantische relaties tijdens de adolescentie, en (3) de impact van vroegkinderlijke interacties met ouders op de ontwikkeling van partnerrelatie kwaliteit in de (jong) volwassenheid. Het artikel eindigt onder meer met enkele aanbevelingen voor toekomstig onderzoek naar jeugd en romantische relaties.

door

In veel sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar relaties met leeftijdgenoten ging tot nu toe de aandacht vooral uit naar relaties van vriendschappelijke aard. Er werd minder aandacht geschonken aan romantische relaties, terwijl dit onderwerp om meerdere redenen toch van groot belang is.

Ten eerste omdat het onderwerp voor adolescenten (kinderen en pubers de leeftijd 10 tot 20) zelf centraal staat in hun leven. Zo bleek uit eerder onderzoek dat jongeren bijvoorbeeld meer denken aan liefde, relaties en seks dan aan school, vrienden, en familie. Daarnaast neemt het aantal adolescenten dat verkering heeft natuurlijk sterk toe tijdens de adolescentie: van 4% in de vroege adolescentie naar 40% in de late adolescentie. Deze nieuwe relaties zijn ook van groot belang voor een gezonde sociale ontwikkeling, aangezien het aangaan en kunnen behouden van romantische relaties een belangrijke ontwikkelingstaak is gedurende de late adolescentie en jong volwassenheid.

De eerste romantische relaties vormen hoe romantische relaties later in het leven vorm krijgen en relatieproblemen op middelbare leeftijd zijn de eerstgenoemde reden voor het zoeken van contact met counselors of andere professionele hulpverleners.

Jongeren denken meer aan liefde, relaties en seks dan aan school, vrienden, en familie.

Het belang van onderzoek naar romantische relaties van jongeren is dus duidelijk vast te stellen. In dit artikel wordt verslag gedaan van de resultaten van een aantal studies die mijn collega’s en ik recentelijk hebben uitgevoerd naar (1) de effecten van relatieverbreking en relatieproblemen op de geestelijke gezondheid van jong volwassenen, (2) de rol van leeftijdgenoten in het aangaan en de beleving van romantische relaties tijdens de adolescentie, en (3) de impact van vroegkinderlijke interacties met ouders op de ontwikkeling van partnerrelatie kwaliteit gedurende de (jong) volwassenheid.

A Boulevard of Broken Dreams

Op basis van de gegevens afkomstig uit een grootschalig en langdurig onderzoek door NEMESIS (Netherlands Mental health Survey and Incidence Study) werden twee studies uitgevoerd naar de effecten van met name echtscheiding en andere relatieverbrekingen op de ontwikkeling van psychiatrische stoornissen.

Door drie keer (in 1996, 1997 en 1999) 4796 mensen te interviewen, achterhaalden we of de ondervraagden te kampen hadden met een stemmingsstoornis, een angststoornis, of een verslaving aan alcohol of drugs. Of deze mensen een echtscheiding of andere relatieverbreking hadden meegemaakt, werd achterhaald door de relationele status (bijvoorbeeld ‘single’, samenwonend, of gehuwd) op de verschillende meetmomenten met elkaar te vergelijken.

De analyses op basis van de verzamelde gegevens maakten onder andere duidelijk dat vooral de ontwikkeling van drugs- en alcoholverslaving of afhankelijkheid voorspeld werd door een eerdere scheiding van de huwelijkspartner of eerdere relatieverbreking. In vergelijking met mensen die wèl bij hun partner bleven, hadden mensen die waren gescheiden of hun relatie hadden verbroken zelfs een 14 maal hogere kans op het ontwikkelen van een drugs- of alcoholprobleem.

Verder namen we de trend waar dat jong volwassenen die gedurende de looptijd van het onderzoek single bleven ook een hoger risico hadden op het ontwikkelen van een afhankelijkheid of verslaving aan alcohol of drugs. Dit zou mogelijk het effect kunnen weerspiegelen van een relatief ongebonden relationele status. Diegenen die zich nog niet hadden verbonden aan een langer durende, hechte romantische relatie (en, dientengevolge, vaak ook nog geen ouder waren geworden) hadden waarschijnlijk meer contacten met leeftijdgenoten waarin drugs- en alchoholgebruik geaccepteerd werd, vaak nog geen verantwoordelijkheden als ouder, en kwamen tenslotte mogelijk ook vaker in (uitgaans)gelegenheden waarin vooral alcoholgebruik veel voorkomt.

In vergelijking met mensen die wèl bij hun partner bleven, hadden mensen die waren gescheiden of hun relatie hadden verbroken een 14 maal hogere kans op het ontwikkelen van een drugs- of alcoholprobleem.

Natuurlijk is het belangrijk niet alleen te kijken naar de mogelijke impact van relatieverbrekingen zelf. Het is volstrekt duidelijk dat bijvoorbeeld echtscheiding zich niet plotseling voordoet, maar eerder een onderdeel is van een omvattender proces. De psychiatrische stoornissen die zich ontwikkelen na een echtscheiding zijn dus wellicht eerder een product van de voorafgaande conflicten en problemen tussen de huwelijkspartners – die vaak al langere tijd spelen – dan van de scheiding zelf. Met de hierboven reeds omschreven onderzoeksgegevens van het NEMESIS project is deze veronderstelling onderzocht. Er kwam inderdaad naar voren dat een lage kwaliteit van de relatie met de partner voorafgaand aan de echtscheiding zelf de belangrijkste voorspellende factor was in het ontstaan van psychiatrische stoornissen. Dit gold met name in het ontstaan van alcoholafhankelijkheid, sociale fobieën, en dysthymia – een lichte vorm van depressie. Met andere woorden, de huwelijksproblemen voorafgaand aan de echtscheiding, en niet de echtscheiding zelf, bleek te bepalen of respondenten een psychiatrische stoornis ontwikkelden gedurende de 3-jaars looptijd van dit onderzoek.

Stepping Stones to Love

Het belang van onderzoek naar de verbanden tussen relaties met leeftijdgenoten enerzijds en relaties met partners anderzijds, ligt deels in het feit dat veel eerdere studies uitsluitend waren gericht op directe verband tussen de ouder-kind band en latere ervaringen in romantische relaties. De meest waarschijnlijke ontwikkelingsloop, echter, is er één is waarbij de invloed van ouders zich via ervaringen in de groep leeftijdgenoten doet gelden in toekomstige romantische relaties. Vooral in de vroege en middenadolescentie zou de groep leeftijdgenoten belangrijk kunnen zijn, aangezien de eerste romantische relaties net zoals vriendschapsrelaties symmetrisch van aard en gelijkwaardig zijn – hetgeen in contrast staat met de machtspositie van ouders ten opzichte van hun kinderen. Daarnaast is er sprake van seksuele intimiteit en hebben – zeker in het beginstadium van romantische ontwikkelingen tijdens de adolescentie – romantische relaties vooral betekenis in termen van sociale status in de groep leeftijdgenoten.

Vanuit een ‘neo-Sullivaniaans’ perspectief wordt dan ook verondersteld dat relaties met leeftijdgenoten tijdens de adolescentie fungeren als een soort stepping stone naar een volgende relationele context: die van partner relaties. Zo veronderstelde Sullivan (1953) dat vooral hechte vriendschappen met leeftijdgenoten de sociaal-emotionele basis zouden leggen voor latere intimiteit in partner relaties. Deze twee typen relaties delen veel kenmerken met elkaar, en adolescenten omschrijven beide dan ook in termen van kameraadschap, intimiteit, en wederkerigheid. Daarnaast zou de ‘sociale positie’ van adolescenten in een groep van leeftijdgenoten bepalend zijn voor latere romantische relaties. Zo laat eerder onderzoek ook zien dat pesten – positief – samenhangt met meer ontwikkeld en exclusiever, dating gedrag, maar tegelijkertijd met negatievere percepties van de kwaliteit van partner relaties. Een onbelangrijke positie in de groep van leeftijdgenoten, zoals in een schoolklas, hangt verder samen met gevoelens van buitensluiting, en deze gevoelens kunnen weer het aangaan van nieuwe, romantische relaties bemoeilijken.

Zeker in het beginstadium van romantische ontwikkelingen tijdens de adolescentie hebben romantische relaties vooral betekenis in termen van sociale status in de groep leeftijdgenoten.

In een studie onder 2425 Nederlandse jongeren in de leeftijd van 12 tot en met 18 jaar, onderzochten we onder andere of er een significant verband zou zijn tussen de sociale positie in de groep leeftijdgenoten en de relationele status en de kwaliteit van de romantische relaties van jongeren. Voor de analyses baseerden we ons op zogenaamde ‘multi-informant’ gegevens, wat wil zeggen dat gebruik werd gemaakt van vragenlijstgegevens van zowel adolescenten als hun klasgenoten. De resultaten lieten allereerst duidelijk zien dat jongeren die zelf pestgedrag vertoonden vaker aangaven verkering te hebben dan jongeren die geen pestgedrag vertoonden. Maar ook adolescenten die gepest werden gaven relatief vaak aan verkering te hebben – wellicht als gevolg van een ‘vlucht’ naar een in sociaal-emotioneel opzicht veiliger plek in de context van relaties met leeftijdgenoten. Verder bleek dat niet zozeer pestgedrag, maar vooral gevoelens van buitensluiting in de groep met leeftijdgenoten en een lage waargenomen kwaliteit van de beste vriendschapsrelatie, belangrijke voorspellers waren van de kwaliteit van de romantische relatie.

The Labour of Love?

Leeftijdgenoten en vriendschapsrelaties spelen dus een belangrijke rol in het ontstaan en ontwikkeling van romantische relaties tijdens de adolescentie. Maar zoals eerder vermeld, zijn veel eerdere studies uitsluitend gericht op de verbanden tussen de ouder-kind relatie en latere ervaringen met de partner. Zowel de aard als de kwaliteit van vroegkinderlijke ervaringen in het gezin vinden deze studies van groot belang in relatie tot de ontwikkeling van sociaal-emotionele problemen in latere levensfasen. Meer in het bijzonder veronderstellen ze vaak dat negatieve ervaringen met ouders in de kinderjaren leiden tot een beperkt vermogen om bevredigende romantische relaties aan te gaan en te onderhouden. De theorie achter deze veronderstelling is die van ‘cross-relationele continuïteit’: op basis van vroegkinderlijke interacties met ouders maken we cognitief-affectieve representaties of ‘relationele schema’s’ aan van de intimiteit en affectieve kwaliteit die kenmerkend zijn voor intieme relaties. Deze schema’s structureren onze percepties en interpretaties van nieuwe sociale gebeurtenissen, en blijven zo over de levensloop heen van groot belang voor de sociale en emotionele ontwikkeling.

Leeftijdgenoten en vriendschapsrelaties blijken een belangrijke rol te spelen in het ontstaan en ontwikkeling van romantische relaties tijdens de adolescentie.

Veel eerdere studies naar de ‘effecten’ van ervaringen met ouders in de kindertijd, echter, richtten zich uitsluitend op de adolescentieperiode, of hebben gebruik gemaakt van retrospectieve (terugblikkende) data over de band met ouders in de kindertijd, waardoor de resultaten worden vertekend door allerlei herinneringseffecten. Daarnaast gebruikten veel studies ‘snapshot’ gegevens – gebaseerd op één meetmoment – uit de kindertijd, wat een onderzoek naar de impact van vroegkinderlijke ervaringen bemoeilijkt. Het is dan namelijk nodig om vast te stellen of het effect van zulke vroegkinderlijke ervaringen niet afhangt van latere ontwikkelingen in de ouder-kind band, bijvoorbeeld tijdens de adolescentie, of van andere intieme relaties later in het leven – met name romantische relaties in de jong volwassenheid. Het zou bijvoorbeeld kunnen, dat schadelijke ouder-kind interacties het risico doen toenemen voor onbevredigende romantische relaties in de jong volwassenheid, en dat deze op hun beurt weer aanleiding geven tot een verhoogd risico voor problemen in latere romantische relaties in de midden volwassenheid. Precies deze hypothese onderzochten we aan de hand van de Zweedse Solna studie – een zogenaamde ‘birth-to-maturity’ studie waarbij 212 kinderen vanaf hun geboorte tot aan hun 37e levensjaar werden gevolgd.

De resultaten van deze studie benadrukten, ten eerste, de dynamische rol van interpersoonlijke ervaringen over de kindertijd en adolescentie, in het voorspellen van de kwaliteit van romantische relaties in de volwassenheid. Meer in het bijzonder vergrootten negatieve ouder-kind interacties de kans dat tijdens de adolescentie (tussen de 15 en17 jaar) kinderen ook een lage kwaliteit van communicatie met hun ouders ervaarden en veel conflicten met hen hadden. Via de impact op de ouder-kind band tijdens de adolescentie, vervolgens, is er een samenhang met een lage kwaliteit van romantische relaties gedurende de jong volwassenheid, op 25-jarige leeftijd. Dat wil zeggen dat er sprake is van ‘cross-relationele continuïteit’ van de adolescentie naar jong volwassenheid: hoe beter de band met ouders, hoe beter ook de relatie met partners later in het leven. De lage kwaliteit van romantische relaties tijdens de jong volwassenheid tenslotte, voorspelt over een 12-jaars periode de relationele problematiek (veel conflicten, weinig gezamenlijke activiteiten, ‘moeizame’ communicatie, etcetera) tijdens de midden volwassenheid (37 jaar).

Looking For Love in All the Wrong Places

Alhoewel er de laatste tijd sprake is van een toenemende wetenschappelijke interesse in de liefdeslevens van jongeren, is het duidelijk noodzakelijk om een aantal theoretische en methodologische verbeterpunten op een rijtje te zetten. Waar en hoe precies kunnen wij in toekomstig onderzoek het best op zoek naar de liefde? In het bestek van dit artikel kunnen we hieromtrent geenszins een volledig beeld schetsen, maar een aantal belangrijke hoofpunten noem ik hieronder.

Ten eerste werd in eerdere studies bijna uitsluitend gebruik gemaakt van vragenlijsten. Het voordeel van zo’n aanpak laat zich raden: het is een kosten- en tijdsbesparende methode van onderzoek waarmee het mogelijk is om grote groepen mensen te onderzoeken. Er zijn echter ook enkele zwaarwegende problemen aan verbonden. Zo kunnen we met behulp van vragenlijsten slechts een beeld krijgen van bewuste en globale denkbeelden van partners of romantische relaties. Dat is een groot probleem, omdat we veronderstellen dat juist relationele schema’s ofwel onze onbewuste denkbeelden van primair belang zijn voor ons gedrag in romantische relaties. Als we direct zicht willen krijgen op de invloed van relationele schema’s op relatievorming en -ontwikkeling zouden we gebruik moeten maken van andere methoden, zoals met ‘implicit attitude tests’; een veelgebruikt instrument in de sociale psychologie om impliciete denkbeelden van respondenten naar de oppervlakte te halen.

We veronderstellen dat juist relationele schema’s ofwel onze onbewuste denkbeelden van primair belang zijn voor ons gedrag in romantische relaties.

Een ander probleem dat aan de vragenlijstmethode is verbonden, is dat gegevens vaak behoorlijk grofmazig zijn en, zeker met betrekking tot romantische relaties, last hebben van allerlei sociale wenselijkheidseffecten. Sociale wenselijkheid betekent hier dat iemand de vragenlijst invult zoals hij of zij vindt dat het zou moeten zijn, maar niet zoals het echt is. Zo bleek uit één van de in dit artikel beschreven studies dat de gemiddelde score op een schaal waar maximaal vier punten konden worden toegekend voor kwaliteit van de partnerrelatie een 3,5 was, met slechts een zeer geringe spreiding van scores om dat gemiddelde heen. Oftewel: praktisch iedereen waardeerde zijn of haar relatie als ‘zeer bevredigend’. Willen we nu een nauwkeuriger inzicht verwerven in hoe partners zich tot elkaar verhouden dan is het noodzakelijk om over te stappen naar systematische gedragsobservaties. Al was het maar om te kunnen observeren hoe twee individuen het ontwikkelingsverloop van een romantische relatie bepalen. Vreemd genoeg is in het meeste onderzoek tot nu toe steeds slechts één van de partners ondervraagd over hun relatie.

Niet alleen in de manier van onderzoek, maar ook op theoretisch gebied is er behoefte aan vernieuwing in het onderzoeksveld naar romantische relaties. Zo wordt de literatuur over romantische relaties van adolescenten voor een belangrijk deel gedomineerd door studies die zich richten op hechting en continuïteit door verschillende relaties heen. Helaas ontbreekt in veel van deze studies een ontwikkelingsperspectief, dat wil zeggen: in het voorspellen van bijvoorbeeld relationele status (verkering hebben of niet?) of de kwaliteit van romantische relaties is er geen expliciete aandacht voor het feit dat romantische relaties zich vanaf de vroege adolescentie ontwikkelen tot compleet andersoortige relaties in de late adolescentie en jong volwassenheid. Onze eerste verliefdheden en verkeringen zijn van een compleet andere orde – veeleer gericht op sociale status verwerven en experimenteren met seksualiteit – dan onze uiteindelijke huwelijks- en samenwoonrelaties, die zich meer richten op gevoelens van verbondenheid, wederzijdse steun en vertrouwen, en gehechtheid. Er is tot nu toe echter nauwelijks aandacht geschonken aan hoe deze ontwikkelingen op romantisch vlak precies verlopen, en in welke mate en hoe onze eerste stappen op het liefdespad bepalend zijn voor onze verdere romantische relaties.

Onze eerste verliefdheden en verkeringen zijn van een compleet andere orde – veeleer gericht op sociale status verwerven en experimenteren met seksualiteit – dan onze uiteindelijke huwelijks- en samenwoonrelaties, die meer gericht zijn op gevoelens van verbondenheid, wederzijdse steun en vertrouwen, en gehechtheid.

Your Love Is Like (Bad) Medicine

Liefdesrelaties staan absoluut centraal in het leven van veel jongeren en jong volwassenen, en daarmee bepalen deze relaties zowel in positief als negatief opzicht hun welzijn. Het is te vroeg om op basis van de huidige wetenschappelijke studies duidelijke uitspraken te doen over het belang van romantische relaties voor de huidige hulpverleningspraktijk, maar we kunnen wel degelijk een aantal belangrijke trends schetsen. Allereerst kunnen we vaststellen dat deze levensperiode vruchtbare grond kan zijn voor hulpverleners om foutieve of negatieve verwachtingen en ideeën over intieme relaties om te buigen. Verder geeft het feit dat een lage kwaliteit in een partnerrelatie hetzelfde blijft van de jong volwassenheid naar de midden volwassenheid aan, dat we mogelijke interventies het best kunnen richten op een zo vroeg mogelijke levensfase. Tenslotte maken de resultaten van de hier gepresenteerde studies duidelijk dat hulpverleners zich niet exclusief dienen te richten op traumatische ervaringen in de kindertijd of negatieve percepties van de ouder-kind band als mogelijke oorzaken van emotionele problematiek. Juist in de late adolescentie zijn intieme interacties, zowel tussen ouders en kinderen als tussen partners, van zeer groot belang voor het sociaal-emotionele welbevinden van individuen.