‘Stop met dat geouwehoer over dat we moeten samenleven’

Willem Trommel over zijn afkeer van gulzig bestuur

Hoogleraar Willem Trommel van de Vrije Universiteit ziet een gulzige overheid die zich steeds meer tegoed doet aan het persoonlijk leven van burgers. ‘Het is toch bizar dat de politiek zegt dat een grote groep mensen niet weet hoe ze moet leven?’

door

‘Gulzig bestuur’ is een veelkoppig monster dat zich in verschillende gedaantes volvreet. In zijn oratie een jaar geleden als hoogleraar beleids- en bestuurswetenschappen aan de Vrije Universiteit muntte Willem Trommel het begrip gulzig bestuur. En op Google levert het inmiddels honderden resultaten op. Trommel ziet drie verschijningsvormen voor gulzig bestuur. Onder de vlag van ten eerste new welfare probeert de overheid steeds indringender de levenskeuzen van mensen te beïnvloeden: we moeten gezond eten, meer bewegen, zorg besteden aan onze medeburger, onze kinderen niet verwaarlozen en niet te veel in de kroeg en achter het internet doorbrengen. In de tweede gedaante gaat het om new public management en draait alles om heldere overheidsdoelen, bijvoorbeeld: van de honderd psychiatrische patiënten moeten er over twee jaar zestig aan het werk zijn. De derde verschijningsvorm van gulzig bestuur noemt Trommel new social governance: hier ontpopt de overheid zich tot een fabrikant van sociale verbanden, wat bijvoorbeeld tot uiting komt in het offensief om van probleemwijken prachtwijken te maken.

Gulzig bestuur is volgens socioloog Trommel een antwoord van het openbaar bestuur op het probleem van een steeds ingewikkelder wordende samenleving. ‘Omdat we het idee van maakbaarheid maar niet willen opgeven, volgen er pogingen om de greep te versterken. Met allerlei perverse gevolgen.’ In het geval van new welfare bijvoorbeeld zal de overheid voor een effectieve beïnvloeding van de levenskeuzen ‘uiteindelijk in staat moeten zijn de levensgeschiedenissen van iedere burger minutieus in kaart te brengen’. In zijn oratie zegt hij: ‘Niet de burger, maar de bestuurlijke lichamen dreigen zo slachtoffer te worden van een zwaarlijvigheid.’

4140010447_1f9cc63f69_z

‘Niet de burger, maar de bestuurlijke lichamen dreigen slachtoffer te worden van een zwaarlijvigheid.’ ArtemFinland

Gulzig bestuur is geen effectief bestuur, maar is het ook erg?
Willem Trommel, met een royale dictie die past bij zijn naam: ‘Mijn eerste zorg is dat publieke belangen niet goed meer worden behartigd omdat je te veel wilt. Maar in the end heb ik ook normatieve opvattingen en denk ik dat gulzig bestuur slecht is voor het welzijn, voor een ontspannen samenleving. Het is allemaal erg utilitaristisch, sterk gericht op het verhogen van de nationale welvaart. Het is niet mijn idee van het goede leven.’

‘Voor mij is ook belangrijk dat verschillende gezichtspunten naast elkaar kunnen bestaan. En dat wordt bedreigd, met name door het new social governance. Door het hameren op integratie krijg je aanpassing aan Nederlandse waarden en uniformiteit, terwijl Nederland altijd werd gekenmerkt door waardenpluralisme. Bijvoorbeeld hier in de prachtwijk in Den Haag waar ik woon, zie ik het gebeuren. Met heel veel geld wordt iedereen verleid om mee te doen om de buurt te verbeteren, in allerlei projecten waarin burgers van alles moeten. Terwijl ik denk: het probleem hier is dat het elke week een grote puinhoop is omdat de zeemeeuwen het vuilnis open pikken. Zorg er als overheid nou gewoon voor dat er hier ondergrondse vuilcontainers komen. En stop met dat geouwehoer over dat we moeten samenleven.’

Kun je je dan niet aan die dwingende sfeer onttrekken?
‘Zo is het natuurlijk ook weer niet, het is geen 1984. Maar het dwingende zit hem in de normatieve retoriek waarmee over de wijk wordt gepraat. Het begint er al mee dat we te horen krijgen dat we problemen zouden hebben. Problemen? denk ik dan. Oké, er zijn moeilijkheden, wrijvingen, we hebben hier bijvoorbeeld een prostitutiestraat. Maar problemen met samenleven?’

‘Kijk, ik heb al die overheidsrapporten over de wijkaanpak gelezen. Dan wordt er bijvoorbeeld geturfd hoeveel mensen met obesitas er in zo’n wijk zijn. Dat vind ik een onaangename benadering. Onze wijk wordt dus mede getypeerd aan de hand van het aantal te zwaarlijvige mensen. Wat zegt dat over die wijk?! Er wordt een probleemaccumulatie gecreëerd: het opleidingsniveau blijft natuurlijk achter, de werkloosheid is boven het gemiddelde… En dan opeens wordt er gezegd: jullie zijn problematisch.’

‘En dan krijgen we “achter de voordeur”-beleid, interventieteams, in Amsterdam heet het Eropaf! Ja, ik weet wel dat Jos van der Lans zegt dat dat heel wat anders is, en dat ze de professionals die bezoeken afleggen op hbo-niveau scholen. Maar ik moet nog zien hoe dat in de praktijk gaat. Het kan ook betekenen dat je je met die aanpak nog meer in de finesses met de levens van mensen kunt bemoeien.’

‘En natuurlijk, ik begrijp ook wel dat Jos van der Lans zegt dat je mensen niet aan hun lot mag overlaten. Daar zit ook wat in. Het is een dilemma tussen “mensen in hun waarde laten” en “mensen tegen zichzelf beschermen”.’

Waar leg jij de grens?
‘Daar ben ik naar op zoek. Ik denk dat je moet kijken – en ik ga daarbij uit van de Israëlische filosoof Margalit – naar de vraag of interventies een vernederend effect hebben of verheffen. Het is natuurlijk lastig dat concreet te maken. Het zit soms in kleine dingen. Als ik een zwerver geld geef, dan maakt de manier waarop ik dat doe al uit of ik die persoon verneder of niet. Als ik hem daarna vraag een raar dansje te doen en hij in mijn macht is, dan verneder ik hem. Dat was ook zo bij de oude armenzorg die mensen kleineerde. Maar de verzorgingsstaat kan ook weer vernederend zijn omdat het mensen uitsluit van een uitkering of de arbeidsmarkt.’

Willem-trommel-178x118_tcm30-107469

Willem Trommel

Willem Trommel (Den Haag, 1959) doorliep het gymnasium-B en studeerde vervolgens sociologie aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hij werkt als onderzoeker in Leiden en verdedigde in 1995 aan de Leidse universiteit zijn proefschrift Korter arbeidsleven. Tussen 1996 en 2007 was hij als socioloog verbonden aan de Universiteit Twente. Per 1 januari 2008 werd hij aan de Vrije Universiteit benoemd tot hoogleraar beleids- en bestuurswetenschappen.
Samen met Anton Hemerijck en Ewald Engelen maakte hij onlangs de balans op van het wetenschappelijk debat over de opmars van de sociale investeringsstaat. Begin dit jaar ontving hij van Stichting Instituut Gak een subsidie voor een grootschalig en fundamenteel onderzoeksprogramma rond de bestuurlijke inrichting van activerend arbeidsmarktbeleid.
Hij schreef samen met Romke van der Veen en Coen Teulings een evaluatiestudie over de herziening van het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid, en publiceerde vorig jaar een essay over polarisatie in een bundel over dit onderwerp van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO).

Mensen met een uitkering die worden verplicht om vrijwilligerswerk te doen, ervaren dat als een vorm van eerherstel. Ze kunnen iets doen waardoor ze hun gekrenkte gevoelens kunnen overwinnen. Herken je dat?
‘Ja, eerherstel, respect, zelfrespect doen ertoe. Maar respect kun je maken en breken met dat soort interventies. En dat is glad ijs. Neem jonge moeders in de bijstand. Laat je iemand in haar waarde als moeder of moet je haar de arbeidsmarkt op schoppen? De oude klassieke verzorgingsstaat gaf mensen autonomie – met een uitkering mochten mensen zelf keuzes maken. Ik doe nu onderzoek naar de arbeidsreïntegratie en ik denk dat daar uit zou kunnen komen dat we mensen een beetje meer met rust moeten laten. Dan kan iemand met een uitkering zelf kiezen: een nieuwe baan zoeken met hulp van een reïntegratiebureau, of elke avond naar Scheveningen om cocktails te drinken. Ik vind een samenleving die dat mogelijk maakt mooi – tot op zekere hoogte natuurlijk.’

‘Maar intussen gaan we ervan uit dat alle mensen calculerende burgers zijn die erop uit zijn misbruik te maken van het systeem. Als je echt gelooft in mensen die iets van hun leven maken, dan moet je hun gewoon die uitkering geven. Maar kennelijk zit er – en dat is het vernederende – de gedachte achter “jij bent niet goed bezig”. Ik ken natuurlijk de argumenten na de jaren tachtig, dat je mensen niet in hun uitkering moet laten verpieteren. Maar dat sluit niet uit dat je heel erg moet uitkijken met het tegemoet treden van mensen alsof ze het eigenlijk niet verdienen, nietsnutten zijn die gefaald hebben. Je moet ook weer niet doen alsof de bijstand een basisuitkering is, maar iets meer ontspannenheid mag wel.’

Je keert je ook tegen de obesitascampagne. Is het niet in het eigen belang van mensen dat ze geholpen worden van hun zwaarlijvigheid af te komen?
‘Wie bepaalt dat belang? Ik zeg: als de politiek zich ermee bemoeit dan gaat het primair om de vraag wat de economische schade is, dus om de kosten van de ziekte-uitkering en voor de gezondheidszorg. Dat heeft niets met eigenbelang te maken. Natuurlijk komt die retoriek er wel bij, en natuurlijk zijn er altijd wel mensen die zeggen blij te zijn dat ze een duwtje in de goede richting krijgen. Maar dat is allemaal versiersel eromheen. De principiële vraag is: wie bepaalt hoe je leeft? Het is toch bizar dat de politiek zegt dat een grote groep mensen niet weet hoe ze moet leven? Dat het parlement dat kan bepalen?’

We worden toch altijd op de een of andere manier gemanipuleerd en in een bepaalde richting geduwd? Wie door Hoog Catharijne loopt, wordt voortdurend verleid door vette vreettenten. Wat is er dan tegen om mensen te nudgen, ofwel een duwtje in de goede richting te geven en de ongezonde snack van het menu in de bedrijfskantine af te halen? Dat is toch niet vernederend?
‘Nee, daar kom ik natuurlijk niet mee weg.’ Glimlachend: ‘Maar ik vind het wel heel kinderachtig om te doen.’ Vervolgt serieus: ‘Met goede scholing moeten mensen dat soort overwegingen toch wel voor zichzelf kunnen maken. Alert zijn op de berichten die je krijgt. Dat nudgen is een combinatie van politiek en wetenschap: gebaseerd op kansen en risico’s wordt het leven gedefinieerd als een optelsom van risico’s. Ik vind dat zelf onprettig, het druist in tegen de romantiek van het leven, het is hyperrationalistisch, allemaal gebaseerd op beheersbaarheid, op governmentality.’

Maar heb jij daar zelf nou zo veel last van? Het zijn toch meer kwetsbare groepen die met dat paternalisme te maken krijgen?
‘Nou, ik denk wel dat we op een pad zitten waarbij we er allemaal mee te maken krijgen. Het activerende arbeidsmarktbeleid raakt niet alleen mensen die nu een uitkering hebben. Iedereen loopt tegenwoordig risico’s; het is niet meer zo dat je een life time-baan hebt. Alles is onzeker geworden, ook je pensioen. Dan is de redenering van het gulzige bestuur dat iedereen de verantwoordelijkheid heeft om dat hele arbeidsleven te overzien en zich voortdurend af te vragen of hij niet moet worden bijgeschoold. Dan wordt iedereen object van dat type beleid, en dat zal ook gaan gebeuren.’

Wat is het alternatief? In je oratie zeg je dat je uit bent op een ‘passendheid van bestuur’. Dat klinkt een beetje mat na je scherpe en kritische analyse van het gulzige bestuur.
‘Het roer kan niet radicaal om. Je hebt te maken met een realiteit, en daarin speelt padafhankelijkheid een grote rol. Neem de Wmo. Ook als er nu een heel scherp rapport op tafel zou komen dat duidelijk maakt dat het allemaal onzin is en het niet werkt, en dat delen van die zorg terug moeten naar de AWBZ, dan zal dat niet zomaar gebeuren. Er zijn structuren bedacht om die Wmo vorm te geven, gemeenteraden zijn ermee bezig, particuliere organisaties hebben er een plek in gekregen, er zijn adviesraden, cliëntenraden, er is een heel circus opgetuigd. Het is de dwingende kracht van de feiten.’

Toch zou je kunnen zeggen: ik ga op zoek naar tegenbewegingen van burgers, bijvoorbeeld die zich proberen te onttrekken aan het gulzige bestuur of dat ondermijnen, zoals slow food doet?
‘Ik ben als socioloog vooral geïnteresseerd in hoe de dingen werken. Ik zie dat de samenleving op fundamentele punten is veranderd. De vraag is voor mij – vanuit mijn belangstelling voor beleid en bestuur – wat past daar nu bij om de samenleving nog te sturen en te ordenen? Het klassieke model voldoet niet, dus ik ben op zoek naar wat wel. Ik ben geen anarchist of iets dergelijks, ik stel niet het idee van centrale sturing op zichzelf ter discussie. Ik ben helemaal niet tegen overheden en interventies. Ik wil liever nadenken over de grenzen. En passendheid betekent dat de overheid af en toe op zijn handen gaat zitten. En soms niet, en dat je dan de troep op straat gaat opruimen.’

Marcel Ham is hoofdredacteur van TSS.

Zie ook: