Taal zit je in het bloed

Sommige dieren gebruiken iets wat je taal zou kunnen noemen. Ze slaken kreten om soortgenoten te waarschuwen, en er zijn zelfs mensapen die in staat zijn in gebarentaal woorden te leren. Maar dieren kunnen niet wat mensen wél kunnen: klanken en woorden systematisch combineren tot zinnen. Hoe komt het dat de mens net dat stapje extra kan zetten? Waar komt ons taalvermogen vandaan?

door

De mens is lang niet de enige diersoort die met zijn soortgenoten kan communiceren. Neem nu de meerkat, een apensoort die op de Afrikaanse savannen leeft. Die kan met verschillende kreten zijn soortgenoten waarschuwen voor roofdieren van een bepaald type. Als een groep meerkatten die kreten op een bandrecorder horen, reageren ze daar duidelijk op.

Het geluid dat gebruikt wordt om te waarschuwen voor slangen bijvoorbeeld heeft als effect dat de leden van de groep op hun achterpoten gaan staan en de grond om zich heen afspeuren, terwijl de meerkatten zich in de struiken verstoppen bij een waarschuwing voor grote roofvogels. Kennelijk bevatten de kreten van de meerkat heel specifieke informatie.

Eigenlijk kun je die waarschuwingen wel vergelijken met woorden of uitdrukkingen van de mens. Ze hebben tenslotte een bepaalde, algemeen bekende betekenis, die neerkomt op zoiets als “Pas op, een slang!” Maar de mens kan meer. Die kan die woorden en uitdrukkingen combineren tot grotere gehelen: zinnen. En met die zinnen kan hij complexe informatie weergeven en relaties leggen tussen bepaalde dingen uit de werkelijkheid. Dieren ontberen dat talent om woorden of equivalenten met elkaar te combineren.

Niet dom

Zelfs onze nauwste verwanten, de mensapen, zijn niet in staat om zinnen te smeden uit woorden. Er is in de vorige eeuw veel energie gestoken in pogingen om chimpansees menselijke taal te leren. Daarbij moest gewerkt worden met gebarentaal of met visuele symbolen. De keel en het strottenhoofd van deze apen wijken namelijk zodanig af van die van de mens dat gesproken taal buiten hun bereik ligt. De mensapen bleken prima in staat woorden te leren, maar ze konden die niet systematisch en productief met elkaar combineren tot zinnen.

Dat mensapen geen taal kunnen leren, komt niet doordat ze dom zijn. Experimenten van psychologen hebben juist aangetoond dat deze apen allerlei moeilijke problemen kunnen oplossen en dat ze gemakkelijk leren. Het vermogen om woorden te combineren tot grotere gehelen is hun echter niet gegeven.

Als taal een soortspecifieke eigenschap is, dan is het erg waarschijnlijk dat die eigenschap aangeboren is. Taal zit de mens dus in de genen, net als andere eigenschappen die alle mensen gemeenschappelijk hebben. Maar bij erfelijke eigenschappen gaat er ook weleens iets mis. Zoals ouders hun kinderen bij de geboorte aanleg kunnen meegeven voor slechte ogen en bepaalde vormen van kanker, zo bestaan er ook erfelijke taalstoornissen. Men spreekt dan van ‘primaire taalstoornissen’.

Tabouter

Primaire taalstoornissen zijn niet het gevolg van een andere afwijking. Kinderen die ermee zijn behept hebben geen gehoorproblemen of neurologische problemen, geen afwijkingen van de spraakorganen (zoals een gespleten gehemelte of hazenlip), geen sociaal-psychologische stoornissen (zoals autisme) en ze hebben een normaal IQ. Ze hebben echt alleen problemen met hun taalontwikkeling.

Kinderen met primaire taalstoornissen beginnen pas vrij laat taal te gebruiken, zo’n zes tot twaalf maanden later dan hun leeftijdgenoten. Ze gebruiken over het algemeen korte, eenvoudige zinnen, waaruit ze functiewoorden (lidwoorden, hulpwerkwoorden, koppelwerkwoorden, voorzetsels en dergelijke) weglaten, zodat hun taal wel iets van een telegram krijgt.

Nu doet elk kind dit op een gegeven moment in zijn taalontwikkeling, maar kinderen met een aangeboren taalstoornis blijven dit doen terwijl hun zich normaal ontwikkelende leeftijdgenootjes die fase na hun derde levensjaar achter zich laten. Werkwoorden worden vaak niet vervoegd, en als deze kinderen dat doen, hebben ze een sterke voorkeur voor enkelvoudige vervoegingen en voor de tegenwoordige tijd, zelfs als dat eigenlijk ongrammaticaal is. Het levert zinnen op als: “Ik eet gisteren een boontje.”

Daarnaast hebben deze kinderen ook problemen met het produceren van de juiste klanken. Hun klinkers worden soms vervormd ([bad] voor “bed”), medeklinkers worden vervangen (meestal door een ‘t’, ‘d’, ‘p’ of ‘k’: “kabouter” wordt bijvoorbeeld [tabouter]) en medeklinkergroepen worden vereenvoudigd ([sool] of [chool] voor “school”). Deze kinderen hebben vaak ook woordvindingsproblemen (zie kader ‘Primaire taalstoornissen’).

Primaire taalstoornissen

In het volgende fragment vertelt Françoise, een meisje van zeveneneenhalf jaar met een primaire taalstoornis, het verhaal van Sneeuwwitje. Françoise heeft problemen met de zinsbouw, met klanken en ze heeft woordvindingsproblemen. Ze vertelt het verhaal met handen en voeten en met veel expressieve intonatie.

“Sneeuwwitje en de kabouter zegt … eum des de kabouter eu … de babouter ‘hie sond mijn bedje.’ Sneeuwtje en Sneeuwwitje … de tabouter zegt: ‘wilde gij soep maak en fritten, ja’, en de kabouter is blij, en de eks komt komt binnen de dinges … aj! … de dinges breng en dinges en nies en ‘niemand nie binnen komen hoor de tabouters’ … en de tabouter zegt en de eks komt binnen … ‘ik heb iets mooi en ik en ik’ en de bouter zegt eu Sneeuwtje zegt ‘kom binnen’ eu dieje een ban gegoven en die heeft da en Sneeuwwitje is ziek en Sneeuwtje is dood, en die de do en de dokt(er) en de en de bouters … ‘Sneeuwwitje kom is hier!’ Sneeuwwitje eet een appel en de tabouter zegt: ‘sproei u!’ Sneeuwwitje, roept nog … is dood en de eks komt nog en een kam steken in die haar en is dood en s en die vader heeft ge gehelpt.”

Eeneiige tweeling

De onderstaande stamboom van drie generaties van een familie laat goed zien dat de primaire stoornissen erfelijk zijn. Niet alle kinderen van een ouderpaar krijgen de stoornis hoewel ze allemaal onder min of meer dezelfde omstandigheden opgroeien en dus een vergelijkbaar taalaanbod krijgen. Dat betekent dat de stoornis niet volledig kan worden verklaard door omgevingsfactoren, zoals weleens gesuggereerd wordt.

Genetisch onderzoek van deze familie bracht aan het licht dat de leden met een primaire taalstoornis een afwijking vertonen op chromosoom 7, een gen dat onder de naam FOXP2 bekend is komen te staan. Alleen kinderen die de afwijkende genen van hun ouders geërfd hebben, ontwikkelen de stoornis. Dit ondersteunt duidelijk het idee dat het menselijke taalvermogen aangeboren is.

Ook onderzoek naar primaire taalstoornissen bij tweelingen bevestigt dit. Eeneiige tweelingen delen tweemaal zo veel genetisch materiaal met elkaar als twee-eiige tweelingen. Je zou dus verwachten dat de kans dat beide leden van een tweeling een primaire taalstoornis ontwikkelen, tweemaal zo groot is bij een- als bij twee-eiige tweelingparen, en dat is ook precies wat onderzoek heeft aangetoond.

Een en ander betekent natuurlijk niet dat in onze genen is vastgelegd welke taal we zullen spreken. De taal die een kind leert spreken, is die van de omgeving. Wat we bij onze geboorte meekrijgen, is een abstracte blauwdruk van eigenschappen die alle menselijke talen delen, de zogenoemde universele grammatica. Het hebben van die blauwdruk is een noodzakelijke voorwaarde om een moedertaal te verwerven.

Abnormale omstandigheden

De snelheid waarmee kinderen hun moedertaal verwerven is indrukwekkend, maar hun prestatie is nog indrukwekkender wanneer we bedenken dat ze dat doen zonder expliciete instructies van hun ouders. Sterker nog: de meeste ouders zouden niet eens instructies kunnen geven, omdat ze de regels die aan hun taal ten grondslag liggen niet bewust kennen; het gaat om onbewuste kennis.

Er zullen bijvoorbeeld niet veel ouders zijn die aan hun peuter kunnen uitleggen waarom een zin als “Jan hoorde jou zichzelf bejubelen” geen grammaticale zin van het Nederlands is. Toch zullen alle peuters net als hun ouders een grammatica ontwikkelen waarin dit soort zinnen niet tot de mogelijkheden van het Nederlands behoort.

Taallerende kinderen staan dus helemaal alleen voor de taak van het leren van taal. Niet alleen geven hun ouders geen expliciete instructies, ze verbeteren hun kinderen ook nauwelijks wanneer ze grammaticafouten maken.

Kinderen worden wél gecorrigeerd wanneer ze iets onbeleefds zeggen (“Nee, je moet ‘u’ zeggen tegen die meneer”), wanneer ze een verkeerd woord gebruiken (“Nee, dit is geen poesje, dit is een hondje”) of wanneer ze niet de waarheid spreken. Maar met grammaticafouten blijken ouders hun kinderen niet lastig te vallen. In de zeldzame gevallen waarin dat wel gebeurt, blijken kinderen de correctie nauwelijks op te nemen (zie kader ‘Ongevoelig voor verbeteringen’).

Ongevoelig voor verbeteringen

Het volgende Engelse dialoogje tussen een moeder (M) en haar kind (K) illustreert dat kinderen niet gevoelig zijn voor correcties. Onderzoek heeft dit keer op keer aangetoond.

K: “Nobody don’t like me.”
M: “No, say: ‘Nobody likes me.’”
K: “Nobody don’t like me.”
[ Dezelfde dialoog wordt acht keer (!) herhaald
M: “Now listen carefully. Say: ‘Nobody likes me.’”
K: “Oh, Nobody don’t likes me!”

Betekent dit nu dat het er niet toe doet wat we tegen kinderen zeggen? Integendeel. Een rijk en gevarieerd taalaanbod (verhaaltjes en gedichtjes lezen, liedjes zingen, taalspelletjes doen, gesprekjes voeren) is belangrijk voor een normale taalontwikkeling. Op basis van zo’ n rijk taalaanbod zijn kinderen in staat zelf snel de regels van de grammatica te achterhalen. Ze stoppen dan na verloop van tijd vanzelf met het maken van grammaticale fouten.

Wanneer ieder taalaanbod ontbreekt, wordt het aangeboren vermogen om taal te leren niet ‘opgestart’, zoals de trieste voorbeelden van kinderen die opgroeien onder abnormale omstandigheden laten zien (zie kader ‘De kritische periode’).

De kritische periode

Voor veel vaardigheden van mensen en dieren geldt dat er een zogenoemde kritische periode bestaat. Vóór een bepaalde leeftijd moet er met zo’n vaardigheid begonnen worden, anders wordt die voor de rest van het leven buiten werking gesteld.

Zo blijkt dat wanneer de oogleden van jonge katten in de eerste acht weken na hun geboorte niet opengaan, de dieren blind zijn. Deze blindheid wordt dan niet veroorzaakt door een defect in de ogen – die doen het prima – maar het gebied van de hersenen dat visuele prikkels verwerkt, functioneert niet; het is niet tijdig opgestart door visuele prikkels en is daardoor definitief buiten werking gesteld.

Er is een aantal gevallen bekend van kinderen die in hun vroege jeugd niet zijn blootgesteld aan taal. Een van de schrijnendste gevallen is wel dat van het Amerikaanse meisje Genie, dat tot haar twaalfde in een klein kamertje vastgebonden heeft gezeten op een stoel. Haar vader deed alleen maar grom- en blafgeluiden van honden na. Hij sprak niet met het meisje en hij had ook Genies moeder en broer verboden met haar te praten. Nadat ze bevrijd was, bleek Genie in staat woorden te leren, maar het lukte haar niet meer het combinatorisch systeem van de taal onder de knie te krijgen. Gevallen als deze lijken het idee te ondersteunen dat er een kritische periode is voor taal.

Onvolkomenheden

Kinderen moeten het dus doen met de taal die ze om zich heen horen, maar daar zitten vaak onvolkomenheden in: mensen verspreken zich, maken zinnen niet af, ontsporen halverwege ingewikkelde zinnen, enzovoort. We realiseren ons dat als taalgebruikers onder normale omstandigheden niet zo. Maar neem de conversatie van een stel vrienden eens op, zonder dat ze dat in de gaten hebben, en het zal duidelijk zijn hoe weinig complete, grammaticale zinnen onze dagelijkse conversaties bevatten. Ondanks deze tekortkomingen slagen kinderen erin zich hun moedertaal eigen te maken.

Bovendien gaat het om kinderen die nog niet in staat zijn hun eigen schoenen te strikken, terwijl de grammatica die ze verwerven vele malen ingewikkelder is. Dat laatste blijkt alleen al uit het feit dat taalkundigen daar, ondanks decennialang onderzoek naar de regels van die grammatica, nog maar ten dele in zijn geslaagd.

Overigens zijn er ook andere aanwijzingen dat intelligentie en redeneervermogen niet nodig zijn om een volwaardig spreker van de taal te worden. Zo verwerven individuen die een zware geestelijke handicap hebben hun moedertaal zonder al te veel problemen. Mensen met Williams-syndroom bijvoorbeeld. Hoewel ze, zoals dat heet, zwaar mentaal geretardeerd zijn, verwerven ze de taal prima (alleen doet hun taalgebruik wat inhoudsloos aan). Blijkbaar zijn intelligentie en het vermogen logisch te redeneren geen noodzakelijke voorwaarden voor een normale taalontwikkeling.

Bovenstaande overwegingen lijken maar één conclusie te wettigen: het kind moet wel geboren worden met bepaalde verwachtingen van hoe menselijke taal eruitziet, en van wat wel en niet mogelijk is in taal. Met andere woorden: ons taalvermogen zit ons in het bloed. Alleen op die manier is te verklaren hoe een kind dat verder nog niet bijzonder ontwikkeld is, dat geen instructie krijgt en dat gebruik moet maken van de gebrekkige taal van zijn omgeving, zo snel zijn moedertaal kan leren.

Lees verder: