Veiligheid voor de huid zonder dierenleed

Er zijn nieuwe proefdiervrije alternatieve testen ontwikkeld om na te gaan of een nieuw product wel of niet veilig is. Een belangrijke test is die voor de menselijke huid. Producten die niet veilig zijn voor de huid, kunnen eczeem veroorzaken na blootstelling. Huideczeem kan zowel veroorzaakt worden door huidirriterende stoffen, als door stoffen die contactallergie veroorzaken. De producten worden getest op stukjes gekweekte huid. De reactie van de huid op de teststof vertelt ons of een stof irriterend danwel allergeen is.

door

Producten, zoals cosmetica, die in de EU op de markt komen moeten getest worden op hun veiligheid, waaronder de veiligheid voor de huid. Producten die niet veilig zijn voor de huid, kunnen na contact huideczeem veroorzaken. Eczeem is een huidaandoening die bestaat uit roodheid, schilfering en soms blaasjes, scheurtjes en veelal een hevige jeuk. Eczeem kan veroorzaakt worden door erfelijke aanleg, maar ook door contact met stoffen.

Twee soorten stoffen kunnen eczeem veroorzaken: stoffen die de huid irriteren en stoffen die contactallergie veroorzaken. Irriterende stoffen (zoals zepen en zuren) zijn giftig voor de huid, doordat ze huidcellen doden. Blootstelling aan contact allergenen (zoals nikkel en parfums) kan leiden tot overgevoeligheid voor die stoffen. Als een overgevoelig persoon weer wordt blootgesteld aan hetzelfde allergeen ontstaat enkele dagen later huideczeem. In het verleden, en in sommige gevallen nog steeds, werden proefdieren gebruikt voor het testen van de veiligheid van stoffen. Omdat men het proefdiergebruik wil verminderen is dit steeds minder vaak en voor minder stoffen toegestaan. Zo verbiedt nieuwe EU-regelgeving het gebruik van proefdieren voor het testen van cosmetica per 2009.

Afb. 1: Waarschuwingslabels voor corrosieve (links) en irriterende (rechts) stoffen.

Dus moeten alternatieven worden ontwikkeld die de veiligheid van het product garanderen zonder dierproeven. Voor de veiligheid van de huid zijn alternatieven ontwikkeld die testen of bepaalde stoffen huidirritatie of allergie kunnen veroorzaken. De meest belovende alternatieven maken gebruik van de kweek van stukjes huid, dat als afval overblijft na operaties in ziekenhuizen en bij de slacht van dieren.

De huid

De huid beschermt het lichaam tegen invloeden van buitenaf, zoals uitdroging en infecties. Hiertoe bevat de huid een aantal barrières. De buitenste barrière is de hoornlaag bestaande uit dood celmateriaal, waar deze extreem dik is wordt dit eelt genoemd. Daaronder zit een laag van levende keratinocyten (huidcellen), cellen die keratine (hoornstof) produceren voor de hoornlaag. Deze cellen zijn intensief met elkaar verbonden en vormen op die manier de tweede barrière tegen de buitenwereld.

Bovenstaande structuren behoren allemaal tot de opperhuid (epidermis). De derde barrière wordt gevormd door het basaalmembraan, dat de opperhuid scheidt van de lederhuid (dermis) en ten gevolge van de interactie tussen beiden wordt aangemaakt. De lederhuid is bindweefsel en bestaat uit fibroblasten, bloedvaten en collagene vezels. De bloedvaten zorgen voor de voeding (ook voor de epidermis), en de collagene vezels geven de kracht als de rekbaarheid van de huid. Zonder de bescherming van de huid is de gezondheid en het leven van de patiënt in gevaar.

Afb. 2: A. Schematische doorsnede van de huid.1 opperhuid (epidermis) met de verschillende lagen keratinocyten en Langerhans cellen.2 lederhuid (dermis)3 onderhuids vetweefsel (subcutis)4 haar follikel5 talgklier6 zweetklier*B.*Schematische doorsnede van de opperhuid (epidermis).1-2 hoornlaag; de hoornlaag wordt vanaf laag 2 aangemaakt.3-5 verschillende lagen keratinocyten (huidcellen):De keratinocyten in laag 5 ( stratum basale) delen en vermeerderen zich, duwen andere keratinocyten naar boven naar laag 4 ( stratum spinosum) en uiteindelijk laag 3 ( stratum granulosum) waar de keratinocyten helemaal afgeplat zijn en de korrels bevatten die later de hoornlaag vormen.6 Basaal membraan klik op de afbeelding voor een grotere versie

Huidirritatie

Bij huidirritatie is de barrière functie van de huid verminderd. Dit kan zijn omdat de hoornlaag is opgelost door beschadiging, maar ook door zuren, of zepen (bijvoorbeeld door overmatig handen wassen). De afwezigheid van de hoornlaag leidt celdood van de onbeschermde keratinocyten. Vaak gaat het ook om giftige stoffen die door de hoornlaag heen dringen en vervolgens bij de keratinocyten komen. Dit leidt dan tot celdood van de keratinocyten, en dus een verlies van de barrière-functies van de huid. Omdat de huid beschadigd is reageert het lichaam vanaf de lederhuid met een herstelreactie. Die reactie kan bestaan uit een sterkere doorbloeding, hetgeen waar te nemen is als warmte en roodheid. Ook kunnen beschadigingen van de hoornlaag leiden tot een ‘droge’ huid. Deze verschijnselen noemen we eczeem.

Screenen van stoffen die de huid kunnen irriteren

De eerste test voor het screenen van stoffen op huidirritatie stamt uit 1944: de Draize test. In de Draize test, worden stoffen op een kaalgeschoren plekje op de rug van een konijn opgebracht. Na 24 uur wordt gekeken of er een huidontsteking is, en hoe erg deze is. Ondanks de vele beperkingen van deze test, mede door verschillen tussen mens en konijn, wordt deze test toch nog veel gebruikt.

De meest betrouwbare manier om te testen of een stof huidirritatie veroorzaakt bij mensen, is deze op de huid van een mens te smeren. Dit gebeurt in testen met vrijwilligers, onder stringente voorwaarden. Zo mag de stof niet kankerverwekkend zijn, geen hinderlijke allergie opwekken, of op een andere manier blijvende schade veroorzaken. Heel veel stoffen worden dus al bij voorbaat uitgesloten van deze test, en die wel gebruikt mogen worden, worden heel voorzichtig getest. Eerst wordt gekeken of ze na 30 minuten blootstelling huidirritatie veroorzaken, indien dat niet het geval is na 1 uur, vervolgens 2 uur, 3 uur en uiteindelijk na 4 uur.

De Draize testbron: PETA

Stoffen die na 4 uur geen huidirritatie veroorzaken worden beschouwd als niet-irriterend voor de mens. Ondanks de vele beperkingen van deze test, is deze toch erg belangrijk, omdat hij voor, weliswaar een beperkt aantal stoffen, de echte uitkomst geeft: wel of niet irriterend. Deze uitkomst kan gebruikt worden voor de validatie van nieuwe testen, die dan in hun voorspellende waarde vergeleken kunnen worden met de Draize test. In de Draize test is bijvoorbeeld decanol positief, een organische alcohol die niet irriterend is voor mensen.

Op dit moment is een test goedgekeurd die de meest agressieve irriterende stoffen, de zogenaamde corrosieve stoffen, kan aantonen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een laagje collageen waar de teststof wordt opgebracht. Collageen is een stof die veel voorkomt in de huid, en de huid zijn stevigheid geeft. Stoffen die collageen oplossen zijn naar alle waarschijnlijkheid corrosieve stoffen. Dat is het principe van de test. Vele stoffen, zoals zepen zijn niet in staat collageen op te lossen, en zijn dus geen corrosieve stoffen; ze kunnen echter wel huidirritatie veroorzaken. Dit moet dus op een andere manier worden getest.

Screenen van irriterende stoffen in huidkweek

Huidirritatie is het gevolg van giftige stoffen die celdood veroorzaken in de opperhuid. Dus de beste test om irriterende stoffen te screenen gebruikt levende mensenhuid. De mensenhuid wordt voor een deel verkregen uit afval van ziekenhuis-operaties, zoals borst- en buikverkleiningen. Na het schoonmaken worden de stukjes huid in leven gehouden, door ze te kweken. Dit kweken gebeurt zo natuurgetrouw mogelijk: de lederhuid zit in het kweekmedium en krijgt voedingsstoffen, de opperhuid en hoornlaag zitten boven het kweekmedium in de vrije lucht. Tijdens het kweken wordt de te testen stof boven op de huid aangebracht; indien de stof irriterend is, zal dit leiden tot celdood van de keratinocyten. Cellen kunnen echter op vele manieren sterven. Omdat celdood op verschillende manieren kan beginnen, kan men alleen celdood aantonen als men wacht totdat de cel dood is.

Afb. 3: Aantonen van celdood in de huidkweek met behulp van de Methylgroen-Pyronine kleuring (RNA in cytoplasma = roze & DNA in celkern = groenblauw). RNA is alleen in levende cellen aanwezig. Duidelijk is te zien dat het linkerplaatje veel RNA bevat terwijl het rechterplaatje dood weefsel zonder RNA laat zien.

Om celdood betrouwbaar aan te kunnen tonen is een test nodig die alle gevallen van celdood kan aantonen. RNA, de werkkopie van het DNA, is noodzakelijk voor het maken van eiwitten en daarmee noodzakelijk voor het blijven leven van een cel. RNA is echter ook heel instabiel, en wordt snel afgebroken door RNAses. Indien een cel doodgaat zal binnen enkele uren geen RNA meer aanwezig. De tijd van blootstelling die nodig is om celdood te krijgen is een goede maat voor de sterkte van de irriterende stoffen gebleken. Stoffen die in 4 uur de keratinocyten doden zijn sterk irriterend, in 24 uur redelijk irriterend, in 48 uur zwak irriterend, en stoffen die de keratinocyten niet doden na 48 uur zijn niet irriterend. Redelijk irriterende stoffen vallen onder de EU regelgeving, die daar een veiligheidscode R38 aangeeft, die staat voor “irriterend”.

Afb. 4: Deze afbeelding laat zien hoe aan de hand van het tijdstip van celdood in de huidkweek na het opbrengen van de stof, de sterkte van de huid-irriterende stof kan worden bepaald. R38 is de Internationale risico-aanduiding voor irriterende stoffen; NC betekend not-classified, dus niet aangeduid als een irriterende stof. klik op de afbeelding voor een grotere versie

Het afweersysteem in de huid

De huid beschermt ook tegen infecties. Dit gebeurt door de fysieke barrières, maar ook door het aanzetten van het afweersysteem. Het aanzetten van het afweersysteem gebeurt door speciale cellen in de huid, de dendritische cellen. De dendritische cellen in de opperhuid heten Langerhanscellen, genoemd naar Paul Langerhans. De Langerhanscellen hebben niets te maken met de eilandjes van Langerhans die insuline maken in de alvleesklier, maar zijn wel naar dezelfde ontdekker genoemd.

Dendritische cellen vinden hun oorsprong in het beenmerg als witte bloedcellen, en gaan vandaar uit naar het bloed. Vanuit het bloed komen ze in alle weefsels en organen van het lichaam (dus ook in de huid). In deze weefsels worden ze ‘onrijpe’ dendritische cellen genoemd, en wachten op ze op activatie door een ontsteking. Indien de ‘onrijpe’ dendritische cel wordt geactiveerd dan rijpt de cel en verlaat de dendritische cel de huid en gaat die via het lymfevat naar de afvoerende lymfeknoop. In de lymfeknoop geeft de, inmiddels rijpe, dendritische cel zijn informatie over het type ontsteking en de ziekteverwekker door aan de lymfocyten. De T- en B-lymfocyten die passen bij deze ziekteverwekker gaan vervolgens delen waardoor een afweerreactie ontstaat.

Contactallergie

Contactallergie of contact eczeem is een type 4 allergische reactie van de huid. In de allergie worden 4 typen reacties onderscheiden. Type 1 allergie is vooral allergisch astma, hooikoorts en huisstofallergie. Type 2 allergie zijn transfusie en transplantatie-reacties. Type 3 allergie is vooral de geneesmiddelen allergie, en de ‘duivenmelkerslong’. Een duivenmelkerslong is een allergische reactie van longweefsel door contact met duivenstof. Allergie typen 1, 2 en 3 worden veroorzaakt door antistoffen tegen het allergeen en ontwikkelen zich in een tijdsbestek van een tiental minuten tot 18 uur. Contactallergie wordt echter veroorzaakt door T-lymfocyten, en daardoor duurt het 2 tot 3 dagen eer een nieuwe contactallergie reactie zich ontwikkeld. De bekendste contactallergenen zijn nikkel (in sierraden en euromunten), rubber, conserveermiddelen (formaldehyde, zit in shampoo), geneesmiddelen (antibiotica, zoals neomycine) kleurstoffen en vele parfums (in cosmetica).

Contactallergie kent twee stadia, het sensibilisatie (het overgevoelig worden) en het elicitatiestadium (de overgevoeligheidsreactie). Tijdens het overgevoelig worden komt een lichaamsvreemde stof in contact met de huid en dringt door de hoornlaag heen de opperhuid in. Daar nemen de Langerhanscellen deze stoffen op en worden geactiveerd. De geactiveerde Langerhanscellen migreren vervolgens naar de lymfeknoop om de T-lymfocyten te activeren. Als je T-lymfocyten hebt ontwikkeld tegen een allergeen dan ben je allergisch. Van het allergisch worden en uiteindelijk zijn hoef je echter niets te merken totdat je in aanraking komt met het allergeen waarvoor je allergisch bent.

Afb. 5: Contactallergie is een verlaat type overgevoeligheidsreactie. Contactallergie ontstaat doordat een lichaamsvreemde stof op de huid wordt gebracht, waarna die stof door de huid heendringt en Langerhans-cellen activeert. Vervolgens migreren de Langerhans-cellen uit de huid naar de afvoerende lymfeknoop, alwaar ze witte bloedcellen (om precies te zijn T-lymfocyten) aanzetten tot celdeling, waardoor allergie ontstaat. Bij blootstelling van een allergisch persoon, zullen de specfieke T-lymfocyten naar de plaats van blootstelling gaan, waar ze de ontstekingsreactie en dus de huiduitslag veroorzaken. klik op de afbeelding voor een grotere versie

Als een allergisch iemand in aanraking komt met zijn allergeen volgt de overgevoeligheidsreactie (elicitatie). Aangezet door een geactiveerde huid en Langerhanscellen, komen T-lymfocyten de huid binnen. Als deze T-lymfocyten hun allergeen herkennen maken ze meer ontstekingsfactoren, waardoor een huidontsteking, oftewel huideczeem ontstaat. Dit proces duurt 2 tot 7 dagen om op te komen en vaak een week om weer te verdwijnen.

Een bijzonder geval van een overgevoeligheidsreactie is de zogenaamde recall of herhalingsreactie. Deze reactie ontstaat indien hetzelfde allergeen op een plaats komt waar eerder een overgevoeligheidsreactie heeft plaatsgevonden. Na de reactie blijven een aantal T-lymfocyten achter in de huid. Indien op diezelfde plaats hetzelfde allergeen komt, gaat de allergische reactie veel sneller; bij veelvuldige herhaling kan het een tijdbestek van minuten of uren zijn. Sommige mensen krijgen herhalingsreactie van het eten van de stof waarvoor ze allergisch zijn. Zo komt het best vaak voor dat mensen huiduitslag krijgen na het eten van nikkelhoudende voedingsmiddelen, zoals pinda’s en chocola.

De relatie huidirritatie en contactallergie

Vrijwel alle afweerreacties zijn onafhankelijk van de hoeveelheid antigeen (of allergeen). Dit in tegenstelling tot reacties op giftige stoffen die juist altijd afhankelijk zijn van de hoeveelheid giftige stof. Contactallergie is een belangrijke uitzondering in deze, doordat de reactie meestal strikt afhankelijk is van de dosis van het allergeen. In hogere concentraties zijn contact allergenen ook huid irriterende stoffen. Hoe dichter de concentratie van het allergeen komt bij de concentratie die huidirritatie veroorzaakt, hoe sterker de reactie.

Toch blijkt het niet zo te zijn dat altijd meer allergeen nodig is. De benodigde dosis allergeen kan laag worden gehouden als een irriterende stof wordt toegevoegd. Klaarblijkelijk is een zekere mate van huid irritatie nodig voor een allergische reactie. Als een dermatoloog naar huideczeem kijkt kan hij niet zien of het gaat om huidirritatie of om contactallergie. Beide ziekten kennen een groot aantal overlappende verschijnselen. De risico’s tussen beide stoffen verschillen echter sterk; een huidirritant is veilig zolang je onder de irriterende concentratie blijft, maar een contact allergeen kan al bij zeer lage concentraties zijn schadelijke reactie veroorzaken.

Mogelijkheden om contactallergenen te screenen

Tot voor kort was de manier om te bepalen of een stof een contact allergeen was, de cavia maximizatie test. In deze test wordt getracht om cavia’s overgevoelig te maken voor de teststof. Daarna wordt gekeken of dit gelukt is door de stof op de huid op te brengen en te kijken naar de huidreactie. Deze test kost zeer veel cavia’s.

Recent is er een alternatief om proefdiergebruik te verminderen gevalideerd waarbij muizen gebruikt worden in plaats van cavia’s: de lokale lymfeknoop test ( local lymf node assay). Deze test is ook anders van opzet: men kijkt niet naar huideczeem maar naar celdeling in de lokale lymfeklier. Een verhoogde celdeling in de lymfeklier geeft aan dat de stof een allergeen is. De muizentest heeft als bijkomend voordeel dat er minder dieren worden gebruikt per teststof dan bij de caviatest (ongeveer 15 tegenover ongeveer 30). De voorkeur gaat echter uit naar een alternatief waarbij helemaal geen proefdieren meer gebruikt worden. Het screenen van allergenen in huidkweek, zou dit alternatief kunnen worden.

De human patch test op iemands rug

Net zoals bij testen voor de huid-irriterende stoffen, is de mens de meest betrouwbare bron van informatie. Het is echter ethisch onverantwoord om mensen proberen overgevoelig te maken voor een stof waar ze in hun dagelijks leven mee in aanraking kunnen komen. Dus op deze manier testen (de zogenaamde humane maximizatie test) kan maar met een zeer klein aantal stoffen, waar mensen normaal gesproken niet mee in aanraking komen. Een voorbeeld hiervan is de chemische stof DNCB, dinitrochlorobenzeen, die buiten het lab nooit gebruikt wordt. Een tweede bron van informatie zijn de zogenaamde, human patch test allergenen. De patch test is de plakproef die wordt uitgevoerd om te kijken of iemand voor een stof allergisch is. Alle stoffen waarvoor mensen allergisch zijn noemen we patch test allergenen. De maximizatie-test maakt mensen overgevoelig in het laboratorium.

Bij patch test allergenen zijn mensen echter overgevoelig geworden door het dagelijks gebruik van allergische stoffen. Deze test is dus alleen geschikt voor stoffen die al een tijdje op de markt zijn, en waar mensen in hun dagelijks leven mee in aanraking komen. Nikkel, uit de sieraden, en eugenol uit parfum, zijn daar de bekendste voorbeelden van. De gegevens van de humane maximizatie test en de humane patch test allergenen kunnen worden gecombineerd om een totaalbeeld van de menselijke allergenen te krijgen. Als men dit doet, dan blijkt dat de diertesten in cavia en muis bij slechts ongeveer 72% van de stoffen de juiste voorspelling doen op de vraag of ze een allergeen zijn of niet. Een voorbeeld van deze ‘missers’ is het menselijke allergeen neomycine, waar muis en cavia ongevoelig voor zijn. De muizentest mist zelfs nikkel als allergeen.

Screenen van allergenen in huidkweek

Het model van de huidkweek wordt niet alleen gebruikt om irriterende stoffen te screenen maar ook bij het testen op allergenen. Zoals je eerder hebt kunnen lezen migreren de actief geworden Langerhanscellen bij een overgevoeligheidsreactie uit de epidermis naar de lymfeknoop. In de huidkweek zit weliswaar geen lymfeknoop, maar de Langerhanscellen verdwijnen wel uit de opperhuid. Het aantal Langerhanscellen in de huid kan worden geteld door dunne plakjes te snijden van de huid. Die coupes worden vervolgens gekleurd met behulp van een antilichaam tegen Langerhanscellen. Zodoende kan het aantal Langerhanscellen in de huid worden geteld, en kan dus worden gekeken of een stof een Langerhanscel versneld uit de huid laat migreren. Dit blijkt het geval te zijn voor contact allergenen en stoffen die zwak de huid irriteren.

Met behulp van de eerder beschreven test voor zwakke Huid irriterende stoffen kan de laatste groep stoffen worden uitgesloten. Wanneer je onderscheid wilt maken tussen irriterende stoffen en allergenen moet je een lage concentratie gebruiken die als niet-irriterend bekend staat: dit is een stof die na 48 uur op de huid (in de weefselkweek test) nog geen celdood veroorzaakt. Op deze manier kunnen contact allergenen specifiek worden aangetoond. In tegenstelling tot de dierproeven toont deze test wel aan dat stoffen als neomycine en nikkel contactallergenen voor de mens zijn.

In 1859 schreef Charles Darwin zijn bekende boek ‘On the origin of species’ (Over het ontstaan van soorten) waarin hij stelde dat de mens biologisch gezien een dier was. Claude Bernard gebruikte dit principe 6 jaar later in zijn boek: ‘Introduction â l’étude de la medicine experimentale’ (inleiding in de lessen van experimentele medische wetenschap) als argument om proefdieren te gebruiken om experimentele medische vooruitgang te boeken. Sindsdien heeft de medische wetenschap grote vooruitgang geboekt, maar is ook het proefdiergebruik gigantisch toegenomen. De wetgeving vereist vaak dat producten op hun veiligheid worden getest, waardoor vele dierproeven noodzakelijk zijn.In 1959 schreven Russel en Burch hun boek ‘The principles of human experimental technique’ (De principes van humaan wetenschappelijk onderzoek), een pleidooi voor het terugdringen van het proefdiergebruik. Sindsdien is het proefdiergebruik afgenomen, door bewuster gebruik en wetgeving. In Nederland werd in 1977 de wet op de proefdieren in gebruik genomen, welke in 1999 werd aangescherpt. Verder terugdringen van het proefdiergebruik is afhankelijk van de 3 V’s van Russel en Burch: vermindering, verfijning en vervanging. Om de betrouwbaarheid van alternatieve testen te garanderen moeten deze testen worden goedgekeurd op juistheid van de voorspelling en herhaalbaarheid van het resultaat; dit heet validatie. Validatie gebeurt door twee instanties, de ECVAM in de EU en de ICCVAM in de VS, die elkaars validaties accepteren. Indien een alternatieve, dat wil zeggen proefdiervrije test, gevalideerd is, mag deze gebruikt worden in plaats van de dierproef. De wet op de proefdieren regelt dan dat de dierproef niet meer gebruikt mag worden voor testen waar alternatieven voor bestaan. Validatie van alternatieve methoden is dus een belangrijke praktische stap voor vermindering van dierproeven.Ieder jaar komen ongeveer 2000 nieuwe stoffen op de markt dus de vraag naar veiligheidstesten is enorm groot. Het ontwikkelen van alternatieve testen is duur en tijdrovend, terwijl slechts weinig geld voor alternatieven beschikbaar is. Vandaar dat de ontwikkeling van alternatieven langzaam gaat. Sinds 1999 is het gebruik van proefdieren voor cosmetica in Nederland verboden; het verbod voor de gehele EU volgt in 2009. Dit verhoogt de druk om alternatieven te ontwikkelen voor cosmetica-fabrikanten gigantisch, maar dat geldt niet voor andere veiligheidstesten. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat onderzoekers het meest ver zijn met de ontwikkeling van alternatieve testen die te maken hebben met cosmetica, zoals op het gebied van de huidveiligheid.

Dierenhuid als vervanger voor mensenhuid

De vacht van de meeste dieren oogt anders dan de roze huid van de mens, zowel op het eerste gezicht, als onder de microscoop. Dieren met een harige vacht hebben vaak een dunne huid bestaande uit 1 of 2 cellagen, terwijl de huid van de mens vele cellagen dik is. Dieren met een vacht reageren dan ook anders en op andere stoffen met betrekking tot huidirritatie en contactallergie. Dit leidt tot vele foute uitkomsten in dierproeven, zoals in de Draize test bij konijnen, de maximizatie test bij cavia’s en de locale lymfeklier test bij muizen.

Het probleem met mensenhuid is echter de beperkte beschikbaarheid. Ziekenhuisafval mag en kan met toestemming van de patiënt en medewerking van de arts worden gebruikt. Het is echter twijfelachtig of die hoeveelheden voldoende zijn om op jaarbasis 2000 nieuwe stoffen te screenen. Vandaar de vraag naar een diersoort met een vergelijkbare huid als die van de mens. De roze varkenshuid lijkt zowel op het eerste gezicht als onder de microscoop sterk op de menselijke huid. Proeven met tientallen huid-irriterende stoffen hebben laten zien dat varkenshuid voor 95% hetzelfde reageert als mensenhuid. Het kweken van varkenshuid zou dus een goede aanvulling zijn voor het kweken van mensenhuid, omdat varkenshuid in grotere hoeveelheden voorradig is.

De toekomst van alternatieven voor proefdieren

De toekomst van alternatieven voor dierproeven en proefdieren hangt sterk af van de prioriteiten die worden gesteld. De ontwikkelingen in de laboratoria laten zien dat vele routine-testen op giftigheid, die nu nog met proefdieren worden uitgevoerd, op den duur kunnen worden vervangen door alternatieve proefdiervrije testen. Hiervoor is echter tijd en geld nodig, om die alternatieve testen eerst te ontwikkelen en later te valideren. Zonder die investering zal alles bij het oude blijven. Die investering komt van producenten en consumenten, van onderzoekers en subsidiegevers, dus in wezen van de hele maatschappij.

Het is onze keuze om de belangen van dieren serieus te nemen. Als consument kun je daaraan meedoen door geen producten te kopen die getest zijn op proefdieren. Ook kun je bij subsidie- en anti-vivisectie organisaties aandringen op geld voor de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven.

Voor vragen of opmerkingen n.a.v. dit artikel kunt u mailen met: