Verschillende opvoeding voor jongens en meisjes?

Martine Delfos pleit in haar boek ‘De schoonheid van het verschil’ voor een andere opvoeding van jongens en meisjes. Immers: mannen en vrouwen zijn ook verschillend, en dat is biologisch bepaald en onveranderlijk. Maar klopt die redering van Delfos eigenlijk wel, of zijn er alternatieve conclusies en nuanceringen mogelijk?

door

Meisjes moeten anders opgevoed en benaderd worden dan jongens want meisjes zijn ook anders. Dat beweert Martine Delfos in haar boek ‘De schoonheid van het verschil. Waarom mannen en vrouwen verschillend én hetzelfde zijn’. Ze beschrijft deze verschillen en waar ze vandaan komen. Daarmee poogt ze het respect en begrip tussen beide geslachten te vergroten en de (communicatie)problemen op te lossen.

Ook voor de opvoeding en de pedagogiek is dit onderwerp van belang. Moeten we verschillend omgaan met jongens en meisjes? Heeft het invloed dat er steeds meer vrouwen voor de klas staan? Het zijn onderwerpen die Delfos bespreekt. Haar conclusies zijn echter soms kort door de bocht. In dit artikel eerst een korte bespreking van haar boek, met daarna enkele kanttekeningen.

De verschillen: een gevolg van opvoeding of biologie?

Waar komen sekseverschillen vandaan? Volgens Delfos spelen twee factoren een rol. Ten eerste is er sprake van seksespecifieke socialisatie. Dit betekent dat jongens en meisjes zich verschillend gaan gedragen doordat mensen verschillend met hen omgaan en verschillende verwachtingen over hen hebben. Volgens Delfos verklaart dat echter niet alle verschillen tussen de seksen.

Verschillen tussen de seksen ontstaan doordat jongens en meisjes biologisch anders in elkaar zitten en bovendien verschillend worden opgevoed.

Daarmee komen we bij de tweede factor: er zijn ook biologische verschillen tussen mannen en vrouwen die vaak een evolutionaire oorsprong hebben. Hier is simpel bewijs voor door onderzoek onder hele jonge baby’s. Jongensbaby’s van één dag oud kijken langer naar voorwerpen, terwijl meisjes van één dag langer naar gezichten kijken. Het is een klein verschil, maar wel één dat niet door socialisatie veroorzaakt kan worden. Er kan immers verondersteld worden dat bij baby’s van één dag oud nog geen socialisatie heeft plaatsgevonden.

Hoewel hiermee nog niet is bewezen welk gedrag allemaal biologisch van aard is, is wel duidelijk dát ook biologische factoren een rol spelen. Hier wordt in principe de eeuwige ‘nature-nurture’ discussie geschetst. In hoeverre wordt gedrag door de genen en biologie (nature) bepaald en in hoeverre komt dit door de omgeving en opvoeding (nurture)? In haar boek behandelt Delfos met name de ‘nature-kant’.

Waarin verschillen mannen en vrouwen van elkaar?

Volgens Delfos zijn vrouwen ingesteld om te (ver)zorgen. Dit is een aangeboren neiging om veiligheid te waarborgen. Vrouwen willen dan ook ‘de liefste’ zijn. Mannen daarentegen proberen hun veiligheid te waarborgen door competitie en fysieke kracht. Het draait hier om de sterkste zijn in plaats van de liefste. Deze verschillen zijn terug te voeren op het begin van de mensheid, toen vrouwen thuisbleven voor de kinderen en mannen gingen jagen. Dit verschil is volgens Delfos al in het spel van kinderen te herkennen. Zo spelen meisjes vaak liever ‘vadertje en moedertje’ terwijl jongens liever een ruig spel spelen.

Volgens Delfos spelen meisjes liever ‘vadertje en moedertje’ en jongens liever een ruig spel. Zij voert die verschillen terug op de steentijd: toen vrouwen nog thuisbleven bij de kinderen terwijl de mannen uit jagen gingen.

Waarom verschillen mannen en vrouwen van elkaar?

Testosteronhypothese
Als belangrijkste verklaring voor de man-vrouw verschillen noemt Delfos de testosteronhypothese van Geschwind. Jongensbaby’s hebben al in de baarmoeder gemiddeld een hoger testosterongehalte in hun bloed dan meisjes. Testosteron zorgt er voor dat het embryo zich ontwikkelt tot een man. Vervolgens zorgt een hoog testosterongehalte bij een foetus voor een verminderde werking van het immuunsysteem, een verminderde groei van de linkerhersenhelft en een hoger testosterongehalte ná de geboorte. Daar voegt Delfos nog een vierde factor aan toe: een trager reagerend autonoom zenuwstelsel (dat onder andere hartslag, ademhaling en spijsvertering regelt). Deze vier punten zijn echter niet bij elke man even aanwezig en zorgen daarmee voor de variatie.

Hersenen
Zoals net genoemd, wordt bij mannen de rechterhersenhelft extra ontwikkeld ten koste van de linkerhersenhelft. Wat zijn de gevolgen? Gemiddeld presteren mannen beter bij wiskunde (rechterhersenhelft) en zijn vrouwen beter in taal (linkerhersenhelft). Daarnaast zijn er nog andere verschillen gevonden in de hersenen. Zo is het langetermijngeheugen van mannen beter ontwikkeld, terwijl vrouwen een beter korte termijngeheugen hebben.

Ook hebben vrouwen meer grijze stof (verantwoordelijk voor het verwerken van informatie) in hun brein en een grotere hersenbalk (het deel van de hersenen dat beide helften met elkaar verbindt). Hierdoor kunnen ze sneller prikkels verwerken. Delfos schrijft dat dit de oorzaak zou kunnen zijn dat vrouwen meerdere dingen tegelijkertijd kunnen doen, terwijl mannen zich beter kunnen concentreren op één onderwerp.

Het ene brein is het andere niet. Vrouwen hebben bijvoorbeeld meer grijze stof in hun hersenen. Grijze stof is verantwoordelijk voor de informatieverwerking in ons brein. De tegenhanger is witte stof, wat meer zorgt voor de communicatie tussen hersencellen onderling.

Wat betekenen deze verschillen voor de opvoeding?

Volgens Delfos hebben verschillen tussen jongens en meisjes ook gevolgen voor de opvoeding. Ze geeft tips over hoe je het beste rekening kan houden met de verschillen tussen de seksen. Zo geeft ze bijvoorbeeld aan dat het belangrijk is jongens te laten ‘uitrazen’ en stoeien. Zij uiten hun emoties en problemen immers op een fysieke manier.

Kritiek

In haar boek – dat geschreven is voor een breed publiek – geeft Delfos vaak een te simpel of te eenzijdig beeld van de zaak. Ze geeft vaak geen bronvermelding, en negeert andere mogelijke conclusies of nuanceringen. Zo houdt ze geen rekening met de invloed van de omgeving en ervaringen op de ontwikkeling van de hersenen. Verschillen die in het brein gevonden worden, zijn niet persé biologisch of vaststaand van aard. Hersenen zijn erg plastisch: ze passen zich voortdurend aan.

Het is daarom lastiger onderscheid te maken tussen socialisatie en genen dan in eerste instantie gedacht werd. Door deze kanttekeningen kunnen ook vraagtekens gezet worden bij de geldigheid van de opvoedingstips die Delfos geeft. Hieronder volgen enkele voorbeelden van dubieuze redeneringen in het boek.

Verschillen in de hersenen zijn niet altijd aangeboren en ook niet altijd permanent van aard. Door allerlei omstandigheden in je leven (je opvoeding, je omgeving etcetera) kunnen de hersenen zelf veranderen. We noemen deze eigenschap ‘plasticiteit’.

Dubieuze redenering 1: Mannen hebben meer succes op het werk

In haar boek beweert Delfos dat het hoger testosterongehalte van mannen samenhangt met onder andere succes in hun werk. Hierbij noemt ze drie bronnen, die bij nadere bestudering haar stelling niet blijken te ondersteunen. In de eerste bron haalt ze wetenschappers Bernhardt, Dabbs, Fielden & Lutter aan. Zij deden onderzoek naar het testosterongehalte bij het ervaren van winst of verlies. Mannelijke fans die een sportwedstrijd zien waarbij hun club wint, hebben een hoger testosterongehalte, dan de ‘verliezende’ fans. Winnen lijkt dus invloed te hebben op het testosterongehalte. Dat zegt echter niets over succes hebben in je werk.

Vervolgens beroept Delfos zich op onderzoek van Dabbs, de La Rue & Williams. Zij keken of testosteron samenhangt met het uitoefenen van een bepaald beroep. Het blijkt dat acteurs een hoger testosterongehalte hebben dan ministers. Ook hier is dus geen bewijs te vinden dat meer testosteron samenhangt met meer werksucces. Het testosterongehalte verschilt gewoon per beroep; succes heeft er weinig mee te maken.

De laatste bron die Delfos aanhaalt – wederom wetenschapper Dabbs, maar nu met een ander onderzoek – beweert eerder het tegenovergestelde van Delfos. Hier zegt Dabbs dat mannen die arbeiderswerk verrichten – werk dat in onze maatschappij minder aanzien heeft – een hoger testosterongehalte hebben dan mannen met een kantoorbaan. Dit zou komen doordat meer testosteron leidt tot meer antisociaal gedrag en een lager IQ en daardoor een lagere opleiding. Als je succes in je werk ziet als het hebben van een baan met status, wordt hier dus het tegenovergestelde van Delfos bewezen. Dabbs zegt ook dat er geen aanwijzing is dat testosteron samenhangt met meer socio-economisch succes. Als je deze drie bronnen samenneemt, is het dus een raadsel hoe Delfos op basis van diezelfde bronnen tot de stelling is gekomen dat testosteronniveau en werksucces samenhangen.

Delfos beweert op basis van drie bronnen dat meer testosteron bij mannen leidt tot meer succes op het werk. Het is daarom vreemd dat geen van die drie bronnen die conclusie ondersteunen. Sterker nog: een acteur heeft meer testosteron in zijn lijf dan een minister. En dat terwijl toch weinigen zullen zeggen dat acteurs over het algemeen succesvoller zijn dan ministers.

Dubieuze redenering 2: Vrouwen kunnen meerdere dingen tegelijk, mannen niet

In haar boek schetst Delfos soms een te simplistisch of eenzijdig beeld. Het is opmerkelijk dat ze bovendien een volledig andere conclusie trekt dan de wetenschapper die ze aanhaalt. In haar boek stelt Delfos dat vrouwen meerdere dingen tegelijk kunnen, maar mannen niet. De oorzaak hiervan is – naast een betere verbinding tussen beide hersenhelften – dat vrouwen meer ‘informatieverwerkende’ grijze stof in hun brein hebben.

Delfos baseert deze redenering op onderzoek van Gur, die zelf een heel andere hypothese voorstelt. Uit zijn onderzoek blijkt dat hoewel vrouwen kleinere hersenen hebben dan mannen, deze rijker is aan grijze stof. Gur denkt echter niet dat dit zorgt voor meer multitasking bij vrouwen. Hij denkt dat het grotere percentage grijze stof bij vrouwen als compensatie dient voor hun kleinere hersenmassa. Hoewel ook deze hypothese hier nog niet wetenschappelijk is onderzocht, geeft het wel aan dat op basis van dezelfde gegevens meerdere conclusies getrokken kunnen worden.

Dubieuze redenering 3: Vrouwen zijn slecht in wiskunde

Delfos heeft het in haar boek over het verschil tussen de linker- en de rechterhersenhelft en de eigenschappen die eraan worden toegekend. Ook wetenschappers Aldenkamp Renier en Smit noemen deze scheiding. De linkerhersenhelft zou meer geschikt zijn voor het verwerken van taal, terwijl de rechterhersenhelft beter zou zijn met wiskunde. Omdat bij mannen de rechterhersenhelft beter is ontwikkeld dan – of: dominant is over – de linker zijn zij beter in wiskunde. Bij vrouwen is dat precies andersom: zij zijn dus slecht in wiskunde.

Vrouwen zouden slecht zijn in wiskunde omdat hun rechterhersenhelft onderontwikkeld is, stelt Delfos. Onzin, beweren onderzoekers Blakemore en Frith. Onze hersenhelften zijn geen gescheiden systemen, maar werken steeds samen. Dus kun je helemaal niet spreken van een ‘dominante’ hersenhelft.

Onderzoekers Blakemore en Frith zijn het hier niet helemaal mee eens. Zij menen dat je niet kunt spreken van dominantie van de rechter- of linkerhersenhelft. Beide hersenhelften zijn belangrijk en werken samen. Ook op het gebied van taal is dat het geval. Hoewel bij rechtshandige mensen taal voornamelijk (maar niet exclusief) in de linkerhersenhelft zit, blijken bij linkshandigen juist beide hersenhelften betrokken te zijn bij taal. Hoe het precies zit is dus nog erg onduidelijk.

En nu?

Het is duidelijk dat het lastig is conclusies te trekken en dat de wetenschap complex is. Delfos probeert in haar boek een weergave te geven van de verschillen tussen mannen en vrouwen maar is daarbij te kort door de bocht en soms incorrect. Dit zet grote vraagtekens bij haar conclusies en de opvoedingstips die Delfos op basis hiervan geeft.

Literatuur

Aldenkamp, A. P., Renier, W. O., & Smit, L. M. E. (2006). Neurologische aspecten van ontwikkelingsproblemen bij kinderen. Antwerpen / Apeldoorn: Garant

Bernhardt, P. C., Dabbs Jr. J. M., Fielden J. A., & Lutter, C. D. (1998). Testosteron changes during vicarious experiences of winning and losing among fans at sporting events. Physiology and Behavior, 65, 59-62.

Blakemore, S., & Frith, U. (2006). The learning brain. Lessons for education. Malden: Blackwell Publishing.

Dabbs Jr., J. M. (1992). Testoserone measurements in social and clinical psychology. Journal of Social and Clinical Psychology, 11, 302-321.

Dabbs Jr., J. M., de la Rue, & Williams, P. M. (1990). Testosteron and occupational choice : Actors, ministers and other men. Journal of Personality and Social Psychology, 59, 1261-1256.

Delfos, M. F. (2004). De schoonheid van het verschil. Waarom mannen en vrouwen verschillend én hetzelfde zijn. Lisse: Harcourt Book Publishers.

Gur, R. C. en collega’s (1999). Sex differences in brain gray and white matter in healthy young adults: correlations with cognitive performances. The Journal of Neuroscience, 19.

Zie ook: