Vogelzang lijkt meer op menselijke spraak dan gedacht

De uitdrukking ‘zingen als een nachtegaal’ moet misschien wel letterlijker worden genomen dan gedacht. Gedragsbioloog Verena Ohms toont in haar promotieonderzoek aan dat menselijke spraak en vogelzang meer overeenkomsten hebben dan eerst werd aangenomen.


Een kind kan nog niet praten als het geboren wordt. Dat leert het van zijn ouders, door imitatie. Bij een aantal dieren, zoals zangvogels, vleermuizen en dolfijnen, gebeurt dat net zo. Dat maakt deze dieren tot een geschikt model om de mechanismen van onze menselijke spraak te bestuderen, en wellicht meer te leren over de evolutie ervan. Het is het uitgangspunt van een jong wetenschapsgebied dat biolinguïstiek wordt genoemd.

2009_12_07_verena_ohms

Verana Ohms.

Complexe zang

Gedragsbioloog Verena Ohms heeft, met datzelfde uitgangspunt, in haar promotieonderzoek vogelzang met menselijke spraak vergeleken. “Zangvogels produceren complexe zang met veel verschillende frequenties, net als dat menselijke spraak ook een grote variatie aan frequenties heeft”, zegt Ohms. “We waren benieuwd of de manier waarop vogels zingen dan ook overeenkomt met hoe mensen met elkaar praten.”

Ohms richtte zich in haar onderzoek op zogenaamde formanten. Dit zijn frequenties in het menselijke stemgeluid die versterkt worden door tong en lippen. Door deze versterkte frequenties kunnen we klinkers onderscheiden. Verrassend genoeg bleken ook zangvogels in hun zang gebruik te maken van formanten. Parkieten gebruiken daarbij – net als de mens – vooral de tong. “Mogelijk verklaart dit dat parkieten in staat zijn mensen na te praten”, zegt Ohms.

Spectrogram

Een spectrogram van een vrouwenstem die het woord “zebravinken” uitspreekt. De rode streepjes zijn de formanten. Duidelijk is te zien dat menselijke spraak complex is, met veel verschillende frequenties.

Klanken onderscheiden

Ook bij de perceptie van spraak zijn er overeenkomsten tussen mensen en vogels. Dit bleek uit een experiment waarbij Ohms zebravinken leerde de woorden wit en wet te onderscheiden. Ohms: “Deze woorden verschillen slechts in de frequenties van de formanten. Dat vogels de woorden konden onderscheiden, toont aan dat ze net als mensen gevoelig zijn voor formanten.”

Bovendien bleken de vogels in staat onderscheid te maken tussen deze woorden als ze werden uitgesproken door een andere stem. “Dit wordt sprekernormalisatie genoemd en is een belangrijk kenmerk van menselijke spraak”, legt Ohms uit. “Wij herkennen woorden namelijk ondanks de grote verschillen tussen stemmen. Blijkbaar is de mens hier niet uniek in, en kunnen vogels het ook. Dat is één van de interessantste conclusies uit mijn onderzoek.”

Kortom, de zang van vogels lijkt meer overeenkomsten te hebben met menselijke spraak dan oorspronkelijk gedacht. Wat zegt dat over de evolutie van spraak? Harde uitspraken durft Ohms hierover nog niet te doen, maar volgens haar is het goed mogelijk dat het het produceren en herkennen van formanten vroeg in de evolutie is ontstaan. Voortaan toch maar eens wat beter luisteren naar het getjilp van de zebravink.

Zie ook: