‘Waar de dood is, moet ook gelachen worden’

Banner_themadood

Deze publicatie is onderdeel van het dood thema. Meer…

Er is maar één zekerheid in het leven: aan het eind gaan we dood. Maar waarom eigenlijk? En hoe? En als we eenmaal dood zijn, is het verhaal nog lang niet afgelopen. Nabestaanden vinden manieren om met hun verdriet om te gaan, en met de angst voor hun eigen dood. En als dat niet werkt, kunnen we altijd nog op zoek naar onsterfelijkheid en eeuwig leven. Inhoud:

Een Afro-Surinaamse begrafenis wordt niet alleen gehóuden, maar ook gevíérd. Verschillende rituelen moeten ervoor zorgen dat de geest van de overledene deze wereld rustig kan verlaten. Rituelen die constant veranderen, dat wel. Van der Pijl promoveert op 25 mei aan de Universiteit Utrecht op onderzoek naar Afrikaans-Surinaamse doodsrituelen.

door

Niet iedereen gaat hetzelfde om met de dood. Mensen verwerken het verlies van een naaste op verschillende manieren. Yvon van der Pijl dook in Paramaribo in de wereld van begrafenissen, nachtwakes en aflegverenigingen en schreef een proefschrift over Afrikaans-Surinaamse rituelen rondom het sterven.

Eer en vermaak de doden

Het onderzoek van Van der Pijl richt zich op Afrikaans-Surinamers in Paramaribo. Twee jaar verbleef de onderzoekster in de hoofdstad van Suriname. Ze liep mee met rouwstoeten, was erbij als de overledene werd gewassen en lachte tijdens wakes om goede anekdotes over het leven van de overledene. Net zoals begrafenissen in Nederland, kunnen Afro-Surinaamse begrafenissen erg van elkaar verschillen. Maar over het algemeen is een Afro-Surinaamse begrafenis in Paramaribo wel uitbundiger dan de gemiddelde begrafenis in Oegstgeest. Een Afro-Surinaamse begrafenis is volgens Van der Pijl niet alleen een moment om te rouwen, maar ook om het leven (van de overledene) te vieren. De ziel of geest van de dode verdient respect en moet geëerd én vermaakt worden. ‘Waar de dood is, moet ook gelachen worden’ is een bekend Surinaams gezegde.

Twee jaar verbleef de onderzoekster in de hoofdstad van Suriname, Paramaribo.

‘Mijn onderzoek gaat over hoe mensen omgaan met dood en rouwen,’ zegt Yvon van der Pijl in een interview. ‘Iedereen is op de één of andere manier bang voor de dood. Mensen willen liever onsterfelijk zijn en door alle culturen heen, in Nederland en in Suriname, zijn mensen bezig om sterfelijkheid om te zetten in onsterfelijkheid.’ Een atheïstische schrijver vecht tegen de onsterfelijkheid door het schrijven van goede boeken, een katholieke monnik gelooft dat zijn ziel na de dood voortleeft in de hemel en een New Age-aanhanger kan dankzij reïncarnatie een hele reeks levens leven. Afro-Surinamers hebben een ander recept voor onsterfelijkheid: een traditie waarin de overledene ook na de dood voortleeft, óf als christelijke ziel óf als winti geest. In het laatste geval is het mogelijk om met deze geesten, of jorka’s, in contact te treden. Maar niet iedere Afro-Surinamer gelooft hierin. Er bestaat een breed scala aan ideeën over de dood. Van der Pijl bracht deze in kaart.

Suriname kent verschillende bevolkingsgroepen, waaronder de Afrikaans-Surinaamse gemeenschap. Afrikaans-Surinamers, ook wel Creolen, Marrons of Bosnegers genoemd, zijn nakomelingen van slaven. Deze slaven werden in de achttiende eeuw door de Nederlanders vanuit West-Afrika gehaald om te werken op de plantages. ‘De Afrikaans-Surinamers hebben een lange historie in Suriname: van slavernij, onderdrukking en kolonisering,’ aldus de antropologe. De Afro-Surinamers hebben door deze geschiedenis van slavernij en kolonisering dan ook een eigen manier van omgaan met de dood ontwikkeld. Van der Pijl heeft in historische bronnen gespeurd naar de vroegste beschrijvingen van begrafenissen, om er zo achter te komen hoeveel ruimte slaven kregen om op hun eigen manier te begraven en rouwen. Het grootste deel van het onderzoek gaat echter wel over wat er vandaag de dag in de huizen, kerken en mortuaria van Paramaribo gebeurt.

Van leven naar dood

‘Er is niet één ritueel rondom de dood, het zijn er eigenlijk heel veel,’ verkaart Van der Pijl. Sterven is een overgangsritueel, een overgang van leven naar dood. Zo’n overgangsritueel kent verschillende fasen. ‘De belangrijkste fase voor Afro-Surinamers is eigenlijk de avond die voorafgaat aan de begrafenis, de dodenwake. Dit is een bijeenkomst van familieleden en kennissen en hier wordt de overledene herdacht en wordt er afscheid genomen. Deze bijeenkomst wordt ook wel Dede Oso genoemd, wat letterlijk sterfhuis betekent, en dit gebeurt op de plek waar de overledene (of zijn of haar familie) heeft gewoond.’

De begrafenis zelf is een andere belangrijke fase in het Afro-Surinaamse doodsritueel. Bijzonder aan de rouwrituelen van de Afro-Surinaamse gemeenschap is dat er op de dag van de begrafenis veel aandacht wordt besteed aan het wassen van de dode. Hierbij wordt gezongen en worden er allerlei andere kleine rituelen uitgevoerd zoals het opzeggen van bepaalde woorden en het leggen van spullen in de doodskist. ‘De familie wordt hierin begeleid door dinari’s (afleggers of lijkenwassers). Zij helpen om op een goede en juiste manier afscheid te nemen van de overledene. Zo kan de ziel of geest van de overledene rustig de wereld verlaten en kunnen de nabestaanden op een gegeven moment weer rustig verder leven,’ aldus de onderzoekster.

‘Surinamers zeggen soms wel eens van autochtone Nederlandse begrafenissen dat het een kwestie is van “Begraven en klaar”. In de Afro-Surinaamse traditie wordt er langzaam toegewerkt naar een definitief afscheid van de overledene,’ volgens Yvon van der Pijl. Ook na de begrafenis zijn er nog een aantal bijeenkomsten waar de familieleden bij elkaar komen om de dode te herdenken. ‘Als de familie gelooft in een leven na de dood als geest wordt de geest tijdens deze bijeenkomsten begeleid naar één of ander hiernamaals en worden de banden met de dode definitief verbroken.’

Sommige Afro-Surinamers zijn katholiek, anderen zijn protestants. Weer anderen voelen zich meer thuis bij Winti, het Creoolse volksgeloof. Sommige Afro-Surinamers vinden de rituelen maar ouderwets, anderen grijpen juist terug op tradities. ‘Het is best moeilijk om over deze gemêleerde groep Afro-Surinamers te zeggen dat zij het zo en zo doen (en niet anders).’ Veel tradities lopen door elkaar heen. ‘Daarom is het ook een beetje een dik boek geworden,’ lacht Yvon van der Pijl. Het boek van Yvon van der Pijl telt bijna 600 pagina’s en heet Levende-doden. Afrikaans-Surinaamse percepties, praktijken en rituelen rondom dood en rouw. (2007)

Professionele begrafenisondernemers en hygiënische wassers

De rouwrituelen van Afrikaans-Surinamers veranderen constant. Afro-Surinamers hebben niet één religieuze achtergrond: sommigen zijn katholiek, anderen zijn lid van de (protestante) Evangelische Broedergemeente. Weer anderen voelen zich meer thuis bij Winti, het Creoolse volksgeloof waarin vooroudergeesten en natuurgeesten centraal staan. Van der Pijl: ‘Deze verschillende religieuze achtergronden hebben zich in de loop van de tijd vaak vermengd en bestaan naast en door elkaar heen.’

De rituelen veranderen ook door bijvoorbeeld contacten met Nederlandse Surinamers die hun eigen gebruiken meenemen. Of door de commerciële begrafenisondernemers die volgens Van de Pijl steeds professioneler worden en volgauto’s, hippe rouwkleding en kisten in allerlei vormen en maten aanbieden. Moderne normen over hygiëne zorgen ervoor dat rituelen rond het wassen ook veranderen. ‘Vroeger gebeurde het wassen thuis, maar nu vaak in het mortuarium van het ziekenhuis.’

Schalen met traditionele lekkernijen staan klaar tijdens Dede Oso (de avond voor de begrafenis). De foto is gemaakt in het Surinaamse binnenland in 1975. Roots-zoekers willen alles zo traditioneel mogelijk doen, inclusief traditionele maaltijden. Foto: Marco Bleeker, www.ecocam.com.

Terug naar de traditie – eigenlijk heel modern

Sommige Afro-Surinamers hebben niet zo veel op met al die opeenvolgende uitbundige rouwbijeenkomsten. ‘Ze vinden dat een beetje overdreven, té traditioneel of zelfs belachelijk. Die hebben zoiets van “Dat hebben we tegenwoordig niet meer nodig, dat doen we niet meer, we gaan gewoon naar de kerk”.’ Deze groep Afro-Surinamers verzet zich tegen de Afro-Surinaamse ‘traditie’. Al die pranpran (rituele ophef) is volgens hen nergens voor nodig.

Aan de andere kant zijn er mensen die deze ‘traditie’ omarmen. ‘Vooral mensen die terugwillen naar hun roots, hun wortels, blazen rouwtradities nieuw leven in. Zij willen alles het liefst zo traditioneel mogelijk doen, met allerlei maaltijden die daarbij horen en de rouwkleding die vroeger gebruikelijk was.’ Deze roots-zoekers zijn vaak migranten, die een groot deel van hun leven in het buitenland hebben doorgebracht en die na hun pensioen of voor hun sterfbed terugkomen naar Suriname.

De migranten kunnen zich ontworteld voelen en omarmen daarom met extra enthousiasme rouwtradities en begrafenisrituelen. Hoewel ze zichzelf zien als mensen die een oude traditie in ere houden, vernieuwen ze deze eigenlijk. Yvon van der Pijl: ‘Mensen die teruggrijpen naar hun tradities zijn juist heel modern, omdat ze eerst helemaal niet bekend waren met die tradities. Nu blazen ze die nieuw leven in.’ Daarmee dragen ook zij hun steentje bij aan de constante verandering van Afrikaans-Surinaamse rituelen.