Zien maakt horen makkelijker

Afasiepatiënten kunnen spraak beter verstaan als zij naast auditieve informatie ook visuele informatie (liplezen) kunnen gebruiken. Dit blijkt het promotie-onderzoek van de Groningse Julia Klitsch. Bovendien blijkt dat jongeren minder vatbaar zijn voor het McGurk-effect dan ouderen.

door

Uit onderzoek van Julia Klitsch, promovenda aan de RUG, blijkt dat spraak beter te verstaan is als je de spreker ook ziet spreken. Vooral mensen met de taalstoornis afasie kunnen er veel baat bij hebben als zij visuele informatie als liplezen kunnen gebruiken bij het verstaan van spraak.

Hoe je gesproken taal verstaat is afhankelijk van verschillende factoren. Zo spelen de context (het woord waarin de klank voorkomt), de luisteraar (denk aan de moeite die het Chinezen kost om de /l/ van de /r/ te onderscheiden) of de levensfase (op latere leeftijd verslechtert het gehoor vaak) mee in hoe je een bepaalde klank verstaat. Voor afasiepatiënten is het vaak nog lastiger om gesproken spraak te verstaan.

Afasie is een taalstoornis die wordt veroorzaakt door verworven hersenletsel, meestal een hersenbloeding. De locatie en de ernst van de schade in hersenen bepalen hoe het taalvermogen van de patiënt verstoord is. Sommige patiënten hebben veel moeite met spreken; zij kunnen niet de juiste woorden vinden of spreken in telegram-stijl. Anderen spreken juist veel en vloeiend, maar zijn voor anderen niet te verstaan omdat ze in ‘lege’ zinnen spreken; zij hebben vaak ook moeite met het begrijpen van taal.

Julia Klitsch liet gezonde en afatische proefpersonen een auditieve discriminatietaak uitvoeren. Hierbij moet de proefpersoon aangeven of twee vlak na elkaar te horen woorden of non-woorden (in de vorm medeklinker-klinker-medeklinker) hetzelfde zijn of niet. Voor gezonde proefpersonen levert dit geen problemen op, maar afatische patiënten hebben hier wel moeite mee. Zij vergissen zich vooral in de plaats van articulatie van een klank. De /t/ en de /k/ zijn bijvoorbeeld alleen verschillend van elkaar in de plaats van articulatie (de /k/ wordt verder in de mond gerealiseerd dan de /t/); verder is de wijze van articulatie gelijk (beide met de tong tegen het gehemelte) en zijn ze beiden stemloos. Als je de resultaten van dit experiment vertaalt naar het ‘echte leven’, kun je concluderen dat afasiepatiënten moeite hebben met het verstaan van spraak puur op basis van auditieve informatie.

Uit het McGurk-effect blijkt dat de combinatie van wat we horen en wat we zien (liplezen) kan leiden tot een andere waargenomen klank. Wanneer je de klank /ba/ hoort, terwijl je iemand /ga/ ziet zeggen, is de kans groot dat je /da/ verstaat.

In het tweede experiment heeft Klitsch onder andere gebruik gemaakt van het McGurk-effect (zie bovenstaande figuur). Ze heeft de groepen proefpersonen (gezond en afatisch) de eerste klank van een woord laten aangeven. De proefpersonen kregen hiervoor verschillende soorten informatie: alleen auditieve informatie, alleen visuele informatie (liplezen), audiovisuele informatie of het McGurk-effect waarbij wat je hoorde zeggen niet overeenkwam met wat je zag zeggen.

Zoals verwacht op basis van het eerste experiment hebben alleen afasie-patiënten moeite met het uitvoeren van deze taak puur op het gehoor. Als alleen visuele informatie wordt gegeven, hebben zowel gezonde als afatische proefpersonen moeite met het vaststellen van de beginklank. Wanneer beide waarnemingen gecombineerd kunnen worden, scoren gezonde proefpersonen bijna foutloos en afasie-patiënten een stuk beter dan wanneer ze alleen horen wat gezegd wordt. Afasiepatiënten kunnen dus veel baat hebben bij visuele informatie als zij proberen spraak te verstaan; liplezen zou hun goed kunnen helpen.

Illusie-waarnemingen

Jonge, gezonde proefpersonen hebben het minst ‘last’ van het McGurk-effect. Uit Klitsch’ experiment blijkt slechts 22% van de gezonde jongeren het McGurk-effect vertonen. Bij gezonde ouderen ligt dit percentage op 45% en bij de oudere afatici op 43%. Dit kan het gevolg zijn van een verminderd gehoor, maar ook van achteruitgaande aandachts-capaciteiten. Bij volle aandacht (bij gezonde jongeren) valt op dat beeld en geluid niet overeenkomen en wordt gekozen voor de dominante informatie, het geluid. De oudere en afatische proefpersonen valt dit niet op, waardoor beide informatiebronnen gecombineerd worden tot een ‘illusie’-waarneming.

Zie ook: